'Dat stramien hoeft niet, ik pas er toch niet in'

De bron: Han Bennink

Wie of wat zette je leven op het juiste spoor? In een serie interviews vraagt Sacha Bronwasser mensen naar hun inspiratiebron. Drummer Han Bennink ging dankzij een invallend tekenleraar naar de Kunstnijverheidsschool.

Han Bennink. Foto Marijn Scheeres

'Ik schrik van jouw vraag naar mijn inspiratiebron, want er is zo véél. Wat denk je van het moment dat je kinderen worden geboren? Dat ik eindelijk ergens voor geslaagd was? Of dat ik Kenny Clarke voor het eerst hoorde, of met Sonny Rollins speelde... Maar dat wordt een soort namedropping, dat vind ik niet leuk. Nou ja - jij moet het opschrijven.

'Ik heb net op Texel gespeeld met ICP en daarvoor hadden we een maand getoerd door Nederland met de opera Koeien van Misha Mengelberg. Heel diep allemaal, ik was heel geëmotioneerd. Met Misha speel ik al mijn hele leven. Nu is hij zo ziek en dement, hij lag toen zelfs twee dagen in coma. Zo'n briljante man. En wij die shit spelen. Man, dat vond ik zo erg.

'Als een vraag over muziek gaat dan geef ik niet thuis. Want als ik je kan verklaren wat ik speel, dan hoef ik het dus niet te spelen. Als ik speel moet ik alle gedachten, al die hoogspanning van zorgen en zo, uitbannen. Ik moet alleen maar spelen. Op lékkere gedachten kun je ook niet spelen hoor. Gewoon, niks. En als je een duet speelt moet je niet nadenken én toch opletten wat die ander doet, net zoals wij nou zitten te praten eigenlijk. Het lijkt wel op het maken van die collages die je net hebt gezien. Ik zoek de onderdelen bij elkaar op vorm, op ritme, kleur. In die zin passen dingen in elkaar zoals bij muziek. Maar er is niet echt een reden of een verklaring. Er is ook een verschil: als ik een collage maak, kan ik soms een uur met een Rizla-vloeitje zitten schuiven. Die tijd heb je met muziek niet.

'Voor mijn vader, die ge-wel-dig muzikaal was, echt ge-wel-dig, waren er drie grootheden: Coleman Hawkins, Benny Goodman en Louis Armstrong. Wat ik maakte, vond hij gekakel. Al jong stuurde hij me naar de slagwerkers van het Concertgebouworkest, maar die stuurden me meteen weer terug. Mij viel niets te leren. Toch maakte mijn vader een drumkamer voor me op zolder en bracht me later naar Schiphol als ik in het buitenland moest spelen.

Bron: Massimo Götz

Massimo Götz (83) woont sinds 2000 in Italië maar is toevallig even in Nederland. Aan de telefoon: 'Die toelating staat me niet meer zo bij. Maar Han Bennink op de Rembrandtschool in Hilversum, zéker herinner ik me die. Ik was invallend leerkracht en de meeste leerlingen dachten: ach, tekenen, dat kan ik toch niet. Maar Han was een enorm fantasierijke, humorvolle jongen, echt een waanzinnig talent. Op zijn tekeningen, die altijd heel speciaal waren, was ik eigenlijk een beetje jaloers. Verdomme, waarom heb ik dat nou niet, dacht ik dan. Later ben ik bij de NOS gaan werken en daar heb ik hem wel eens bezig gezien in de studio voor een opname. Zo vrij als hij met ritmes omging, muzikaal alles uitprobeerde, zo tekende hij ook.'

'Ik speelde al heel veel op de middelbare school. Ik was een stotteraar, maar mijn status schoot door dat drummen omhoog. Toch ging ik geen muziek studeren maar naar de kunstacademie. Dat kwam zo: op het lyceum was er al snel de klad in gekomen. Ik ging liever buiten schilderen met mijn vader en de schilder Roel Wildeboer, een hele goede vriend van de familie die altijd de eerste dotterbloemen voor mijn moeder meebracht. Uiteindelijk zakte ik voor de mulo omdat ik de examenzaal was uitgestuurd wegens afkijken. Maar voor mijn tekeningen had ik een 10.

'Dan maar naar de kunstnijverheidsschool, de voorloper van de Rietveld Academie. Dan kon ik misschien interieurarchitect worden, dachten mijn ouders, zodat ik nog wat kon verdienen. De beoordelaar was een tekenaar en trombonist, later werd hij een bekend decorontwerper voor de televisieshows van Bob Rooyens. Hij heette Massimo Götz. Hij was maar iets ouder dan ik en ik kende hem van de mulo, daar was hij invalkracht geweest. Ik haal hem zo voor de geest. Klein, slim, een scheiding en een snorretje. Een soort van hermelijn. Hij hield ook van jazz. Goh zeg, wat zou het leuk zijn als die nog leefde. Dat ga jij maar uitzoeken nu. Ik ben met mijn mislukte examen en die 10 voor tekenen naar dat toelatingsexamen gegaan. Massimo Götz vond mijn tekeningen mooi en daar ben ik verdomme mee aangenomen. Ja, als dat niet was gebeurd...

'Die school was geweldig voor mij. In het eerste jaar was ik jaloers op die andere mensen. Die hadden baarden en dronken jonge jenever op feestjes waar ik zelden heenging. Ze stonken, het waren echte artiesten. Ik was niet zo. We gingen in het eerste jaar op de fiets naar IJmuiden om de Hoogovens te tekenen. Die waren zo grafisch, zo heel zwart-wit. Achterop mijn fiets zat Hansje Oorthuys, de dochter van fotograaf Cas Oorthuys. Ik spreek haar nog wel eens. Dan zegt ze: Ja, ik mocht bij jou achterop zitten en je rook zo lekker naar groene zeep.

Onorthodox

'Nederlands avontuurlijkste drummer' en beeldend kunstenaar Han Bennink (Zaandam, 1942) heeft een indrukwekkende carrière in de geïmproviseerde muziek en treedt nog wekelijks op. Hij is bekend om zijn onorthodoxe gebruik van voorwerpen; zo speelt hij graag op de vloer, op meubelstukken of andere objecten. Begonnen met schnabbels samen met zijn vader, slagwerker en klarinettist Rein Bennink, koos hij al snel een eigen pad. In de jaren zestig toerde hij met Amerikaanse sterren als Sonny Rollins, Ben Webster en Eric Dolphy. In 1967 richtte hij samen met Misha Mengelberg en Willem Breuker het Instant Composers Pool Orkest op (ICP), het befaamde improvisatie-orkest dat volgend jaar zijn 50-jarig bestaan viert. In 2009 verscheen zijn biografie De wereld als trommel, in 2017 verschijnt een boek over zijn beeldende werk, vormgegeven door Irma Boom. Op 16 juli speelt hij met gitarist Reinier Baas in het Bimhuis. Ik spreek Han Bennink in zijn atelierwoning in De Rijp.

'Ik kreeg een tekenleraar, Piet Klaassen, die wist dat ik drumde. Hij vroeg of ik kwam drummen in de les. Ik bracht Arend Nijenhuis en Ruud Jacobs mee en een uur lang mochten we spelen, terwijl de andere leerlingen hun hand mochten laten gaan. Toen al werd ik losgeweekt van de gewone lessen, ik mocht er even uit. Die school heeft zo veel betekend.

'Ik volgde mijn intuïtie. In de pauze ging iedereen naar café Hans en Grietje, daar was de koffie 25 cent. Ik ging naar de bibliotheek van het Stedelijk Museum om mijn brood op te eten. Drie, vier jaar lang. Ik voelde dat daar meer te halen viel. Ik bekeek dingen die ik niet begreep, zoals Fernand Léger, en nog eens en nog eens. Marcel Duchamp! Toen ging het roer wel om hoor. Dat was te vergelijken met toen ik Charlie Parker voor het eerst hoorde spelen. Een klap in mijn gezicht. Dat hij gewoon een pispot pakte en die signeerde met R. Mutt, of die sneeuwschep, dat flessenrek. De readymade, het objet trouvé: dat hij daar kunst in zag, dat had ik ook.

'Lang heb ik gedacht: ik dien twee meesters, ik moet kiezen. Waarom eigenlijk? Altijd dat stramien, dat hoeft niet, ik pas er toch niet in. Ik ben een buitenmens, ik ruik naar groene zeep, ik kijk naar de vogels en ik ga na het concert niet de kroeg in. Mij zien ze daar niet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.