Column Nico Dijkshoorn

Zouden Lamme Theo en Karate Bob ook hebben gewild dat de verf van de gestolen Picasso ineens ging leven?

Mijn vader vond elke week een uniek schilderij. Dat liet hij mij zien, in zijn schuurtje. Ik moest recht voor het schilderij gaan staan en dan legde hij mij uit waar ik naar keek. ‘Er zit een lijst omheen, dus dat trok meteen mijn aandacht. Ik dacht, hé, dat is een schilderij. En verdomd! Kijk eens naar dat gras. Alsof je het aan kunt raken. Doe maar. Raak maar aan.’ Dat deed ik en daarna zei ik: ‘Geen gras, ongelofelijk.’

Ik heb in twintig jaar tijd aan geverfde konijntjes, koffiepotten, hooibalen, molens en vooral koeien staan voelen. Ik wist wat mijn vader graag hoorde als ik aan de koe had gevoeld. ‘Zoals hij je aankijkt is het net een mens. Je ziet dat hij iets wil zeggen, maar wat?’ Daarna vertelde mijn vader wat de koe wilde zeggen: ‘Rijsttafel voor zes personen’ of ­‘Schuimspaan die lekker in de hand ligt’.

Voor veel mensen is het heel belangrijk dat een schilderij net echt is. In een museum zoek ik altijd snel een werk op met een dier en daarna wacht ik op bezoekers. Ik doe net alsof ik heel aandachtig naar een ander schilderij kijk, bijvoorbeeld ‘Homp oude kaas naast schoen’ en daarna luister ik aandachtig. Het fijnst om naar te luisteren vind ik twee vriendinnen. Eerst kijken ze kunst en daarna lunchen ze in het museum. ‘Doet u ons allebei maar de Visschotel Monet.’

Ik wacht, als de vriendinnen over het schilderij praten, eigenlijk maar op één zin: ‘Je zou zweren dat die eend / bever / struisvogel / zebra zo het doek ­uitloopt.’ Daarna moet ik zachtjes huilen. Dat vind ik de allerliefste mensen, zij die hopen dat verf opeens gaat leven. Die er zachtjes van dromen dat de zebra achter aanloopt naar huis en dat die zebra een beetje van hun gaat houden, bijna net zo veel als hun overleden man ooit van hun hield.

Nu lees ik zojuist een artikel in de Volkskrant over een gestolen ­Picasso en hoe die – als onderpand – circuleerde in het criminele circuit. Ik sta in vuur en vlam. In Amsterdam, ergens achter in een oude loods, hebben Karate Bob en Vuisten Jim voor een Picasso gestaan. Ze hebben aan Rughaar ­Peter gevraagd of hij het schilderij wil uitleggen, want Rughaar heeft een moeder die vier weken heeft gestudeerd.

Rughaar vlak voor die Picasso, stilte, kijken, ­kijken, achteruitlopen, Vuisten Jim die met zijn ­linker wijsvinger op iets zwaars in zijn linkerzak tikt en dan de verlossende zinnen. ‘Dit is een Picasso. ­Zeker te weten. Durf ik een rooie op te zetten. Ik kijk dat schele wijf nu recht in haar smoel en ik zeg het je: ­Picassootje in the house. Die klerelijer, die kon wat hoor. Kijk naar die ogen. Dat kan dus helemaal niet, maar toch accepteer je het, want hij schept een soort van nieuwe realiteit en ze heeft nog tieten ook dus klaar ben je, strik er omheen inpakken maar. Wat kost-ie?’

Zo stel ik mij dat voor. De gestolen Picasso heeft in ongehoorde Amsterdamse kamertjes gehangen. Ik hoop op de tweede verdieping van de Roetersstraat 12, vlak naast het aanrecht. De vrouw van Lamme Theo heeft tijdens het afwassen naar het schilderij gekeken en ze heeft gedacht: Die vrouw ziet er gelukkig uit. Ik wil ook zo een hoed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.