column peter middendorp

Zodra je in Friesland de provinciegrens was overgestoken werd je buitengesloten door de taal

Het was een avond over voetbal in literatuur en poëzie – de helft was in het Nederlands, de andere helft in het Fries. Van Eppie Dam werden bijvoorbeeld meerdere gedichten voorgedragen, die goed hadden geklonken, maar waar je geen woord van begreep.

Friezen zien er niet altijd een bezwaar in om anderen van hun taal te laten meegenieten. Bij Omroep Friesland luisteren gasten in de studio eerst naar een lang verhaal in het Fries voordat, opeens, de eerste vraag in het ­Nederlands komt. Als je was geïntroduceerd als Malle Pietje of een oversekste cliniclown, had je het niet opgemerkt.

Ik snap dat toch niet helemaal, zei ik in de pauze tegen Ate de Jong, journalist en biograaf van Henk de Jong, een populaire trainer, die geen familie is. Dat is toch zonde. Niet zozeer voor mijn avond, bedoelde ik, maar voor de poëzie. Wat heb je er nou aan, zei ik, en hier voelde ik mijn punt enigszins inzakken – als bijna niemand het kan lezen?

Ate lachte langzaam, met lange tanden en veel mond. Hij kon zich zo ergeren aan Hollanders. Laatst vroeg Jeroen Pauw ­iemand in zijn programma – ‘Spreken jullie in de rechtszaal dan ook Fries?’ Ate maakte afwerende gebaren. ‘Man, denk ik dan, verdiep je toch eens ergens in. Spreek je binnenlandse ­talen!’

Op het podium zei de presentator ook al dat er na de pauze ‘Hollandstalig’ zou worden voorgelezen. Het was vreemd om een Hollander te zijn, en Hollands­talig. Ik had die vraag van Pauw ook kunnen stellen, zei ik, wat niet helemaal waar was, maar ik werd ook gevoeliger natuurlijk, steeds kinderachtiger. Ben ik dan ook een Hollander?

‘Ja’, zei Ate, wat logisch was. Ik had me kwetsbaar getoond, mijn zwakke plek op tafel gelegd, het enige wat hij hoefde te doen was achterover leunen.

Ik was geen Hollander. Hollander was, voor wie er gevoelig voor is, of wilde zijn – en dat worden er steeds meer, Ate, zei ik – ­eigenlijk een belediging. In elk geval was het een beledigend onnauwkeurige persoonsbeschrijving. Ik ben een Drent, zei ik. Een Nedersaks. Mijn hoofdstad is Hamburg. Met mijn plat, zei ik, en ik wees ferm naar een richting waarvan ik hoopte dat daar het oosten was, kan ik tot achter Riga terecht!

Misschien was dat het wel, dacht ik toen ik klaar was – een kleine teleurstelling. Je dacht dat je in Friesland soortgenoten trof en er met noorderlingen onder elkaar zou zijn, maar zodra je de provinciegrens was overgestoken werd je buitengesloten door de taal. Dat gedweep met jezelf was mooi, maar je had er vooral de ander mee.

Bij het afscheid legde Ate een hand op mijn schouder. ‘Je hebt in elk geval het mooiste beroep ter wereld.’ O, zei ik, welk beroep is dat dan? ‘Journalist’, zei hij. Ik legde ook een hand op zijn schouder. Ik ben geen journalist, zei ik. Je bent zelf een journalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.