Column Merel van Vroonhoven

Zo welkom als ik me hier in de Haagse Molenwijk voel, heb ik me op de Zuidas niet zo vaak gevoeld

Mijn stageschool is bekend. Eindelijk. Na weken met mijn neus in de boeken is daar het verlossende bericht. Even geen beroepsproducten, prestatie indicatoren en persoonlijke ontwikkelplannen, maar gewoon de klas in. In mijn eigen woonplaats Den Haag.

Het adres herken ik niet, ook niet van de voetbalwedstrijden van zoonlief in de uithoeken van de stad. Google Maps geeft uitsluitsel. De school ligt in Molenwijk, in stadsdeel Laak. Al snel besef ik dat mijn werk zich de komende maanden in een hele andere omgeving zal afspelen dan die van mijn vorige baan, de Amsterdamse Zuidas; de wereld van glimmende wolkenkrabbers en havermelk cappuccino drinkende yuppen in Italiaanse maatkleding.

Hoe meer ik google, des te meer verontrustende berichten ik lees. “Aanhoudende autobranden in Molenwijk”, “Melding van een schietincident in woonwijk bij de Noordpolderkade”, “Bewoners in actie tegen schimmel in de sociale woningbouw”. Berichten over armoede, schulden, hoge werkloosheid en criminaliteit. Met 16.700 euro is het gemiddelde inkomen in de multiculturele Molenwijk een van de laagste in Nederland. Van dat bedrag een heel gezin onderhouden, het is nauwelijks voorstelbaar.

Een half uur later en nog geen vijf kilometer van mijn huis stap ik een compleet andere wereld in. Ik loop langs Poolse winkels, Marokkaanse theehuizen, Surinaamse bars en Turkse kappers. Mijn school bevindt zich in een woonblok naast een gebedshuis en een coöperatieve theetuin. Ik bel aan, een vriendelijke mevrouw komt naar buiten. En met haar een walm van specerijen en oosters eten. “Wat ruikt het hier lekker!”, zeg ik. “Ja”, antwoordt ze, “boven de school is een Hindoestaans bejaardenhuis en op dinsdag wordt er voor de hele week gekookt.” Ze wijst me de lerarenkamer. De kleine ruimte staat propvol met vrolijk kwebbelende Marokkaanse moeders, die pleinwacht houden als zo dadelijk de grote pauze begint. Wat onwennig stel ik me voor als de nieuwe stagiaire. “Welkom, welkom!” roepen ze in koor.

Dan ontmoet ik Seval, mijn stagebegeleidster. Ze neemt me mee naar de klas. Zesentwintig kinderen staan keurig in een rijtje. Van elk van hen krijg ik een hand: Destiny, Yassim, Emirhan, Abdellah, Laila, Jaroslaw, Zaineb. Naarstig zoek ik naar een ezelsbruggetje om hun namen te onthouden. Tevergeefs.

Gelukkig is er vandaag een jarige, Emirhan. Hij mag een klasgenoot aanwijzen die een liedje mag uitkiezen. “Samen zingen, dat schept een band”, denk ik opgelucht. Het meisje naast mij, ik herinner me dat ze Fatima heet, kiest voor ‘happy birthday’. In het Marokkaans. Hier heb ik niet op gerekend. Ze ziet de schrik in mijn ogen en fluistert zachtjes: ‘Geeft niet hoor Juf Merel, u leert het vanzelf. En anders help ik u wel.’

Na haar geruststellende woorden geef ik me neuriënd over aan de onbekende klanken. Het zal nog wel even duren voor ik alle namen goed kan uitspreken en met ‘sana helwa ya gameel’ kan meezingen. Maar zo welkom als ik me hier in de Haagse Molenwijk voel, heb ik me als toezichthouder bij de bankiers en accountants op de Zuidas niet zo vaak gevoeld.

Vierde aflevering van de serie die Merel van Vroonhoven schrijft over haar overstap van topvrouw bij de Autoriteit Financiële Markten naar zij-instromer in het onderwijs. Lees hier de vorige aflevering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden