Beeldvormers Jongens en mijnwerkers

Zo huiveren wij bij de aanblik van die schriele ventjes in het duister

De rubriek Beeldvormers onderzoekt hoe een foto onze kijk op de werkelijkheid bepaalt. Deze week: de Thaise jongens in hun grot.

Het drama van de Wilde Zwijnen, het team jonge voetballers en hun 25-jarige coach die de afgelopen week werden bevrijd uit het grottenstelsel in Noord-Thailand, werd in de media wereldwijd geïllustreerd met een overvloed aan afgeleid beeld. Foto’s en filmpjes die ons nauwelijks informeren over de kern van het nieuws, maar wel alle nevenverschijnselen tonen die zich er rondom afspelen. We zagen de motten maar niet de vlam. Reddingswerkers bij de ingang van de grot. Geblindeerde ambulances. Parasols om het zicht te belemmeren. Helikopters die de onzichtbare jongens overbrachten naar het ziekenhuis in Chiang Rai. Politieagenten. Een opgeluchte gouverneur. Pas enkele dagen na de redding van de eerste vier kwamen de foto’s en filmpjes van mannetjes achter glas, nog even in quarantaine om elk medisch risico uit te sluiten. Dat was het visuele, meest overtuigende bewijs – zien is geloven – van hun redding.

Van de ellende zelf, die steeds magerder en zwakker wordende jongens, samengepakt op een zandhelling in die grotten – geen foto in de kranten.

Jawel, toch? Een paar videostills, tot wazige foto getransformeerde opnamen, waren er, van de hand van de duikers die de jongens negen dagen na de eerste zware regenval en het onderlopen van de grotten ontdekten in het binnenste van de aarde. De opname van de eerste confrontatie tussen de duiker/filmer en het team is aandoenlijk. We zien schimmen, sommige in rood voetbalshirt, stakerige benen. De voorste jongen heeft, door de vertekening van de lens, enorme voeten. Achter hem steekt een ploeggenoot ter begroeting van de reddende engelen de hand omhoog. Er hangt wederzijds ongeloof in de bedompte lucht.

Dat het hart van familieleden en nauw betrokkenen overstroomde van geluk bij het zien van die bibberige stills, mag duidelijk zijn. Maar uit fotojournalistiek oogpunt was het een schamele bedoening. Duizend journalisten hadden zich bij de uitgang van de grot verzameld om verslag te doen. De schrijvers onder hen kwamen met al dan niet betekenisvolle updates, achtergronden en what if-scenario’s. Maar de honger naar beeld – massamedia kunnen niet zonder – werd niet gestild.

De zeldzame beelden die ontsnapten uit de grot deden denken aan een enigszins vergelijkbaar drama in 2010. Toen raakten mijnwerkers in Chili na een instorting ingesloten in een gang op bijna 700 meter diepte. Gewoonlijk ontpopt zo’n mijnongeluk zich, na uren of dagen wachten door wanhopige familieleden bovengronds, in een tragedie. Maar net als de Thaise jongens hadden ook de Chilenen geluk; ze werden allen op miraculeuze wijze gered.

Op de beelden die vanuit de diepte naar de levenden werden verzonden zien we de mannen met ontbloot bovenlijf – het zal er heet zijn geweest. Ook daar zwaait op de achtergrond een hand, en vormt een man op de voorgrond met zijn vingers een V: we zullen dit overwinnen.

Wat de Chilenen en de jonge Thai nog meer gemeen hebben, is de instantroem. Zoals de mijnwerkers her en der (tot in Israël toe) als helden werden ontvangen, zo stromen nu al de uitnodigingen voor festiviteiten aan de Wilde Zwijnen binnen. De grotten worden een toeristische attractie, er zijn al plannen voor twee speelfilms.

De Chileense mijnwerkers die in 2010 op miraculeuze wijze werden gered. Foto AP

Dat scenarioschrijvers, journalisten, heel de wereld in de ban raakt van dergelijk drama, en bijvoorbeeld niet van de overstromingsramp die zich gelijktijdig in Japan voltrok, heeft vermoedelijk veel te maken met de aard van het noodlot. Opgesloten raken in een donkere ruimte, minieme kans op redding, ten prooi aan verhongering, verplettering, ademnood of verdrinking. Identificatie met de potentiële slachtoffers van dergelijk gevaar maakt een oerangst in ons wakker.

De Bijbel, altijd scheutig met effectbejag, verhaalt over de profeet Jona, die drie dagen boete deed in de met wier behangen buik van een walvis. Levend werd hij uitgespuwd. Uitvinder Félix Nadar, 19de eeuwse pionier in de fotografie, was de eerste die de catacomben van Parijs wist te fotograferen. Een alom bewonderd huzarenstukje; vrijwel niemand had ooit de tienduizenden knekels van geruimde kerkhoven gezien die daar liggen opgestapeld. Nadar slaagde erin de voor de foto benodigde felle belichting in de diepte te krijgen. Zo maakte hij zichtbaar wat gewoonlijk onzichtbaar is, want in die catacomben heerst doorgaans absolute duisternis.

Zoals de Parijzenaar in de 19de eeuw heerlijk griezelde bij de aanblik van de knekels, zo huiveren wij bij de aanblik van die schriele ventjes in het duister. Met hoe het daar werkelijk was, heeft wat wij van hen hebben gezien weinig te maken. Want het misschien wel meest beangstigende van die twee weken onder de grond was het ontbreken van alle licht. Hier stuitten de foto- en videocamera’s op hun grenzen. Voor de duur van de opname lichtte de grot op – en werd het gezicht van die onderwereld juist ontkend.

Catacombes de Paris. Foto Felix Nadar
Catacombes de Paris. Foto Felix Nadar
Catacombes de Paris. Foto Felix Nadar
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.