Column Peter Middendorp

Zo begin je toch geen roman, dacht ik bij het openslaan van Zwarte schuur. Ik had beter moeten weten

Bijna iedere keer als ik in een nieuw boek wil beginnen, valt me weer op hoe vervelend en vooringenomen ik ben – veel onaangenamer dan ik evengoed blijf denken. Hoe kritisch, hoe weinig ik me openstel voor nieuwe dingen en hoe slecht ik ertegen kan als dingen anders worden gedaan dan ik zelf zou doen.

Laatst sloeg ik Zwarte schuur van Oek de Jong open, las de eerste regel en slingerde het boek meteen in de hoek met romans waarvan de openingsregels me niet bevielen. Zoals die waarin iemand ‘een in zichzelf gekeerde man’ in de spiegel ziet, wat niet kan: hij moet iemand zien die in de spiegel kijkt, anders deugt de spiegel niet.

De eerste zin luidde: ‘Ze wachtten in de taxi.’ Met dubbel ‘t’, ook dat nog, als we niet zelf tot stilstand komen, trapt de schrijver wel op de rem. Ik begreep het niet. Zo begon je toch geen roman? Een heel leven beschrijft hij. Meerdere levens. Werelden. Had je dan niet vijf minuten later kunnen beginnen, als ze tenminste waren uitgestapt?

‘Hij knipte zijn teennagels’, is zelfs al een betere opening, want wie weet knipt hij in zijn teen of gebruikt hij de nagelschaar als een aanvalswapen. Er is tenminste een kans op iets. Zeker als je het met zijn tweeën doet: ‘Ze knipten hun nagels in de taxi.’ Ze, denkt de lezer dan, ze? Samen? In een taxi? Daar wil ik het fijne van weten.

Met wachten heb je dat niet. Wachten roept alleen maar vervelende associaties op. En waarop wachtten ze in die saaie taxi van ze? Tot iemand anders de rekening kwam betalen? ‘Ze wachtten in de taxi.’ In vijf woorden wordt de lezer al meteen gefixeerd in het besef van de zinloosheid van alles. Ja, denk je, dat is de mens, dit is wat hij ten diepste doet: wachten. Meestal alleen, maar soms ook met anderen.

Waar wachten we op? Op de dood natuurlijk, de vijfhonderd pagina’s zijn eigenlijk overbodig. ‘Ze wachtten in de taxi. Toen gingen zij dood. Einde.’ Hoeveel wachten wij? Veel. In de rij. Aan de telefoon. Tot de school uit is, het voorjaar begint. We wachten tot het eindelijk avond is en we nog even alleen zijn met een normaal boek.

Tijdens het opruimen pakte ik Zwarte schuur laatst nog eens op en las de eerste zin opnieuw: ‘Zwijgend zaten ze in de taxi.’ Vreemd, dacht ik. Heel anders dan ik me herinnerde. Ze zaten dus wel in de taxi, en zwegen, maar er werd helemaal niet gewacht, laat staan met dubbel t, dat had ik zelf bedacht, gefabuleerd, aangenomen. Gek, dacht ik. Vreemd. Ik las toch eens verder, werd meteen gegrepen door het verhaal en bleef er vijfhonderd intense pagina’s van in de ban. Wat goed, dacht ik, wat mooi, wat een geweldige roman. Ik heb meteen alles van Oek de Jong besteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden