Column Aleid Truijens

Zijn kinderen in Utrecht, Noord–Holland en Limburg zoveel slimmer dan de rest?

Kinderen die wonen op het Zeeuwse eiland Tholen hebben pech. Althans, kinderen die graag vwo willen doen. Vooral als ze ook nog eens de pech hebben een jongen te zijn. Van alle Thoolse jongens in het voortgezet onderwijs zit 8,7 procent op het vwo, van de meisjes in Hulst, ook Zeeland, 19,1 procent; ruim twee keer zoveel.

Ambitieuze baby’s, of hun ouders, kunnen deze provincie maar beter mijden; ze steekt magertjes af tegen de rest van Nederland als het gaat om vwo’ers: 14,6 procent (jongens 14 procent, meisjes 15,3), terwijl het landelijk gemiddelde 17,6 procent is. Dat heeft het CBS uitgezocht (Statline 2018).

Interessant, die cijfers. Ook de provincies Friesland, Groningen en Drenthe doen het ondergemiddeld. Flevoland, met 13 procent vwo’ers, zit zelfs onder Zeeland. Het hoogst scoort Utrecht (21 procent vwo’ers) en daarna komt Noord-Holland met 20 procent. Ook Limburg, geen steenrijke provincie, heeft 18,4 procent vwo’ers.

Zijn kinderen in Utrecht, Noord-Holland en Limburg zoveel slimmer dan de rest? Dat is niet aannemelijk. Ligt het aan de kwaliteit van het onderwijs? Degelijk katholiek onderwijs in Limburg? Een hoog percentage drammerige ouders in Amsterdam en in Het Gooi? Dat is moeilijk te meten. Uit onderzoek in de provincie Groningen is gebleken dat basisschoolleerkrachten daar vaak ‘onderadviseren’, hun leerlingen onderschatten dus. Onderzoekers in Drenthe zagen daar ‘een minder ambitieuze leercultuur’, en ‘lage verwachtingen’ van ouders en leerkrachten.

Er is nog een andere, geniepiger factor die meespeelt. In veel regio’s is een vast aantal plaatsen op de verschillende schooltypen. Regio’s waar men het van oudsher niet hoog in de bol had, waar iedereen de fabriek inging of op het land werkte, hebben relatief weinig vwo-plaatsen. Die worden jaarlijks keurig opgevuld; de adviezen worden erop afgestemd. Het aanbod bepaalt de vraag – een geoliede sorteermachine. Dat is zeer onrechtvaardig.

Ik moest denken aan een man die ik ken, die uit een dorp in Groningen komt. Uit zijn Cito-toets, veertig jaar geleden, bleek dat hij naar de havo kon. De directeur van de school was apetrots: havo, dat hadden ze nog nooit meegemaakt! Knap hoor, maar zou hij zo’n moeilijke school wel aankunnen? En het was wel een half uur met de bus!

Later, via een omweg op de universiteit beland, vroeg hij zich af waarom hij niet naar het vwo had gekund. Hij vermoedt dat het kwam doordat zijn school daarop niet voorbereidde: de moeilijkste lesstof was op mavoniveau. Het is nog steeds een onprettig geheim in Nederland: basisscholen verschillen enorm, niet alleen in kwaliteit, maar ook in kennisaanbod.

Het ‘juiste’ advies bestaat niet. Lage verwachtingen en vooroordelen leiden tot lage uitkomsten. Leerlingen gaan zich gedragen naar hun advies; ze worden vanzelf ‘typische’ vwo’ers of vmbo’ers. Zo houd je de mensen op hun plek. Je zou denken dat dit treurige mechanisme inmiddels verdwenen was, maar dat is niet zo.

En kom nu niet met de dooddoener dat het vmbo óók een heel mooie opleiding is. Dat is beslist zo, zolang kinderen vmbo kiezen voor een bepaald beroep, en niet omdat zij de andere opleidingen volgens hun leerkracht niet aankunnen.

Het is zo Nederlands, om voor mensen te bepalen wat hun plafond is. Het veroorzaakt de groeiende kloof tussen kinderen van hoog- en laagopgeleide ouders. Van dat starre kastensysteem zouden we eindelijk eens af moeten. School moet de plaats zijn waar kinderen ontdekken wie zij zijn, wat zij kunnen, willen en leuk vinden. Waar ze kansen krijgen en niet worden ontmoedigd. Of ze nu op Tholen wonen of in Bilthoven. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden