Essay Seksuele Fluïditeit

Zijn homo’s zo geboren? Niet per se

Beeld Esther Aarts

Het idee dat homoseksualiteit aangeboren is, heeft veel betekend voor de homo-emancipatie. Maar is er eigenlijk genoeg bewijs voor? En komt het de lhbti-gemeenschap nog wel ten goede? Maurits de Bruijn betwijfelt het. 

In reactie op de Nederlandse ondertekening van de Nashvilleverklaring in januari van dit jaar, kwam het talige collectief Loesje met een poster, die nog dagen lang op menig tijdlijn prijkte:

‘Homoseksualiteit is aangeboren

Homofobie is aangeleerd

Loesje’

De eerste zin van dit statement zien we vaker terug, in min of meer dezelfde bewoording. Al decennialang behoort born this way tot één van de kernboodschappen van lhbti-activisten, en prijkt deze op menig spandoek. We zijn zo geboren en hebben dus recht op onvoorwaardelijke acceptatie; dat was in de jaren tachtig en negentig het sluitende antwoord op conservatieve stemmen die stelden dat homoseksualiteit ‘onnatuurlijk’ zou zijn.

Het antwoord bleek succesvol: homoseksualiteit kon op meer publieke acceptatie rekenen toen het werd geclaimd als biologische en natuurlijke categorie, in plaats van seksueel gedrag, zoals er tot aan de jaren tachtig over werd gedacht.

Het geloof in een vaststaande, biologisch bepaalde seksuele identiteit groeide onder de invloed van wetenschappelijke inzichten en homo-activisme. Was in 1977 iets meer dan 10 procent van de Amerikanen van mening dat homo- of biseksualiteit is aangeboren, in 1985 steeg dit tot 20 procent. In 2015 was 42 procent overtuigd van het ‘born this way’-principe, zo blijkt uit de resultaten van het Pew Research Center. 

De Amerikaanse superster Lady Gaga wist in 2011 met de drie woorden een wereldhit te scoren, en zo het idee verder te bestendigen. Over een stampende popbeat zong ze:

‘No matter gay, straight or bi

Lesbian, transgendered life

I’m on the right track baby

I was born to survive

No matter black, white or beige

Chola or orient made’

Ook in de recente woorden van paus Franciscus klinkt de ‘born this way’-boodschap door. In een een-op-eengesprek met een Chileense man vertelde hij de man dat hij ‘als homo was geboren en dat God onvoorwaardelijk van hem hield.’ 

‘Nooit eerder uitte de machtigste man binnen de katholieke kerk zulke ruimdenkende woorden’, was een veelgehoorde reactie.

Lady Gaga, de paus, Loesje en menig activist zijn het er over eens dat seksuele voorkeur zo vaststaand is als de kleur van onze huid. Seksuele gevoelens zijn biologisch bepaald, ze behoren tot onze geaardheid. Maar hoe overtuigend deze boodschap ook klinkt, en hoeveel die heeft betekend voor de emancipatie van homo’s, lesbiennes en biseksuelen, de realiteit is een stuk complexer. Het wetenschappelijk bewijs voor een genetische oorzaak voor homoseksualiteit is dun en er is nooit bewezen dat de oorzaak van homoseksuele gevoelens direct is terug te voeren op hormoonschommelingen in de baarmoeder. Toch blijft de westerse, activistische toon haken op het biologische argument, terwijl de wetenschap verwoede pogingen blijft doen het genenpakket, de hersenomvang en hormoonschommelingen van lhb’ers in kaart te brengen.

In 1991 toonde de Brits-Amerikaanse neurowetenschapper Simon LeVay aan dat de grootte van de zogenoemde INAH3 – een deel van de hypothalamus – van homoseksuele mannen meer gelijkenis vertoont met die van vrouwen dan de INAH3 van heteroseksuele mannen. LeVay merkte daarbij op dat zijn uitkomsten met zorg moesten worden geïnterpreteerd. ‘Het is belangrijk te vermelden wat ik niet gevonden heb. Ik heb niet bewezen dat homoseksualiteit genetisch bepaald is en ik heb ook geen genetische oorzaak gevonden voor homoseksualiteit.’  Die oorzaak was wat hem betreft complexer: een verzameling van genen, hormonen, ervaringen, psychologische en sociale factoren. Bovendien werden zijn onderzoeksresultaten in twijfel getrokken omdat er een aantal uitzonderingen onder de proefpersonen waren, en hij wellicht geen accurate controlegroep (lees: heteroseksuele mannen) had weten samen te stellen.

Toch heeft Le Vay’s onderzoek het westerse publieke discours rond seksualiteit sterk beïnvloed en werden zijn resultaten aangevoerd als het bewijs voor aangeboren homoseksualiteit. Er zijn talloze onderzoeken gedaan naar de hersenstructuren van homoseksuele mannen, naar hun chromosomen, genen, epigenen, feromonen, hun tweelingbroers, hun vrouwelijke familieleden en de baarmoeders van hun moeders. De heersende gedachte is nu dat verschillende genen ieder een kleine rol spelen bij de seksuele voorkeuren van homomannen. Maar er zijn ook mannen die deze genen bezitten en niet homoseksueel zijn. Bovendien is bijzonder weinig onderzoek gedaan naar de biologie van homoseksuele vrouwen.

‘We weten bijna niets over de genen die verbonden zijn met seksueel gedrag’, zegt ook wetenschapper Andrea Ganna. Hij sloot vorig jaar het grootste onderzoek af naar het dna van honderdduizenden mensen die minimaal een keer niet-heteroseksuele seks hadden, en trof in 8 tot 12 procent van de gevallen een aantal overeenstemmende genetische varianten aan. ‘Er bestaat geen ‘homoseksueel gen’. We kunnen slechts concluderen dat niet-heteroseksualiteit deels wordt beïnvloed door verschillende kleine genetische factoren.’ 

Tot op heden is dus geen sluitende, biologische oorzaak voor homoseksualiteit gevonden, maar het grote aantal wetenschappelijke onderzoeken op dit gebied suggereert dat er een essentieel verschil tussen homo- en heteroseksuelen moet bestaan. Ook ik klampte me vast aan het idee dat mijn homoseksualiteit voortkwam uit een genetische lotsbestemming. Die gedachte vormde enerzijds een geruststelling, want ik ‘kon er niets aan doen’ en ‘het had zo moeten zijn.’ Tegelijkertijd wierp deze manier van denken een onoverbrugbare muur op tussen mij en mijn heteroseksuele omgeving. Mijn gevoelens kwamen voort uit een genetische afwijking, en dat maakte me afhankelijk van de goedkeuring van heteroseksuelen, de dominante groep niet leed aan een aangeboren defect.

Naast het gebrek aan wetenschappelijk bewijs, strookt de deterministische blik op seksuele voorkeuren niet met de realiteit van veel mensen. In 1948 schrikte Alfred Kinsey de wereld op met het controversiële rapport Sexual Behavior in the Human Male, en het in 1953 volgende Sexual Behavior in the Human Female. Zijn ruwe schatting dat 10 procent van de mannen homoseksueel is wordt tot de dag van vandaag veelvuldig aangehaald. Kinsey geloofde dat seksualiteit aan verandering onderhevig is en een aantal gradaties kent. Hij ontwierp een schaal van zeven groepen, variërend van exclusief heteroseksueel tot exclusief homoseksueel. Naast die 10 procent ‘exclusief homoseksuele’ mannen, kwam uit het rapport naar voren dat bijna 46 procent van de mannelijke ondervraagden seksueel hadden ‘gereageerd’ op zowel mannen als vrouwen en 37 procent van de mannen ten minste één homoseksuele ervaring had gehad. Kinsey geloofde niet in aangeboren homoseksualiteit, maar over dit inzicht wordt hij nauwelijks geciteerd. De resultaten uit Kinseys boeken zijn veelvuldig betwist, omdat de respondenten zich vrijwillig hadden aangemeld. Critici stelden dat mensen die in 1948 bereid waren over seksualiteit te praten, vanzelfsprekend tot een niet-representatieve groep behoorden. Toch was de culturele impact van de Kinsey-rapporten groot. De door hem opgestelde schaal wordt nog steeds toegepast, al wordt deze soms aangevuld om meer ruimte te bieden aan panseksualiteit (aantrekkingskracht tot alle geslachten en identiteiten) en a-seksualiteit (geen of weinig seksuele aantrekkingskracht).

Het aantal mensen dat zichzelf noch als hetero, noch als homoseksueel beschouwt is groot. De helft van de Amerikaanse lhbti-jongeren identificeren zich als queer of biseksueel, en deze groep bestaat voor een groot deel uit vrouwen. Biseksuelen vormen zowel in de VS als in Nederland een minder zichtbare groep. Uit het onderzoek Niet ver uit de kast van het SCP bleek dat Nederlandse biseksuelen veel minder open zijn over hun seksuele voorkeuren dan homoseksuelen; 2 procent van de Nederlandse homomannen spreekt niet over zijn verlangens, tegenover maar liefst 30 procent van de biseksuele mannen.

In Sexual Fluidity bestudeerde psycholoog Lisa Diamond honderd vrouwen die weleens seksuele ervaringen met andere vrouwen hadden opgedaan. Bijna de helft van deze vrouwen schoof tussen 1995 en 2005 een punt op in de Kinsey-schaal, een kwart zei in die tien jaar een verandering van twee punten te hebben doorgemaakt. Volgens Diamond neemt deze fluïditeit met de jaren alleen maar toe onder vrouwen.

Het is belangrijk hierbij op te merken dat vrouwen voorheen vaak werden uitgesloten van wetenschappelijk onderzoek naar seksualiteit. De wetenschap in het algemeen en onderzoek naar seksualiteit in het bijzonder hebben historisch gezien een blinde vlek voor de gezondheid, biologie en ervaringen van vrouwen.

Mede door de onzichtbaarheid van biseksuelen en het uitsluiten van vrouwen binnen wetenschappelijk onderzoek is het heersende, westerse narratief over homoseksualiteit beperkter dan de realiteit. Dat narratief gaat als volgt: een persoon wordt geboren, in de loop van diens leven tekenen homoseksuele voorkeuren zich steeds scherper af, waarop iemand tot een ontdekking komt over zijn of haar geaardheid. Daarop volgt het besluit deze geaardheid openbaar te maken, c.q. uit de kast te komen. Het is een definitief en onomkeerbaar proces dat vaak wordt gekenschetst als een openbaring, getuige de gevleugelde vraag, die mij ook veelvuldig is gesteld: ‘Wanneer wist dat je op mannen/vrouwen/allebei viel?’

De claim van een genetisch bepaalde homoseksualiteit vormde het antwoord op de discriminatie waar de lhbti-gemeenschap mee werd geconfronteerd. Rechtssystemen zijn bovendien eerder geneigd gemeenschappen een beschermde status te geven zolang zij deel uitmaken van een groep met een onveranderlijke, vastomlijnde identiteit. Maar het ‘born this way’-argument draagt tegelijkertijd bij aan het binaire denken over seksualiteit (iemand is homoseksueel of heteroseksueel). Het is een versimpeling die aantrekkelijk en veilig is; het bestaan van fluïditeit knaagt namelijk aan onze behoefte aan vastomlijnde kaders, en zet het bestaande beeld van de heteroseksuele identiteit ook onder druk.

Wanneer we het idee loslaten van een solide, aangeboren seksualiteit, doen we geenszins afbreuk aan de geldigheid van homoseksuele gevoelens en gedrag. Dat homoseksuele en biseksuele gevoelens niet statisch zijn en waarschijnlijk ook niet aangeboren, betekent niet dat ze niet valide en diepgeworteld zijn. Ze kunnen niet door een ander ongedaan gemaakt worden, en zijn daarmee wellicht weerbarstiger dan ons genenpakket. Pogingen om iemands seksuele voorkeuren of genderidentiteit te veranderen, mislukken en leiden tot geestelijke gezondheidsproblemen. Dat erkende ook David Matheson, de ‘peetvader’ van de therapie die erop gericht is homoseksuelen te genezen, begin dit jaar in een Facebookbericht. Matheson, een veelgevraagde expert op het gebied van de therapie, zei in hetzelfde bericht zelf niet genezen te zijn van zijn ‘ongewenste homoseksualiteit’ en te verlangen naar een mannelijke partner. 

Het schadelijkste aspect van de ‘born this way’-gedachte is de implicatie dat alleen een genetische verklaring reden tot acceptatie vormt. Het wekt de suggestie dat eerdergenoemde activisten geen beter argument kunnen formuleren tegen stigmatisering en discriminatie. Heeft een homoseksuele man of een biseksuele vrouw geen bestaansrecht als zijn gevoelens onder omgevingsinvloeden andere vormen aangenomen hadden? Hebben lhbti’ers geen recht op veiligheid en werk als hun identiteit niet zuiver door hun biologie is ingegeven? Zijn homo- en biseksualiteit niet op morele grond te verdedigen?

De activisten van de jaren tachtig en negentig voorzagen het debat rond seksuele voorkeur van vaststaande en herkenbare begrippen, die bij het grote publiek aan een gevoel van duidelijkheid en veiligheid bijdroegen. Met ‘born this way’ formuleerden ze een verdediging tegen discriminatie en criminalisering,  en een antwoord op de groepen die hun bestaansrecht in twijfel trokken. Het is tijd te strijden met wapens die beter recht doen aan onze realiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden