ColumnPeter Buwalda

Zie je wel, dacht ik, te veel boeken, te hebberig, hij is er, de zondvloed

Het fluwelen kolken van een bergbeek schijnt rustgevend te zijn, maar ik moet er altijd van urineren. Gisteren niet, ik was net geweest. Het rustieke genieten bleef evenwel uit, want ik liep niet door de Ardennen, maar stond in de bijkeuken, gewoon ten kastele dus, waar we helemaal geen bergbeek hebben.

Toch hoorde ik er een. Hij ramde klaterend tegen de achterkant van de woonstee, kon ik horen, en slurpte er vervolgens woest omheen. Zie je wel, dacht ik, zie je wel, daar gaan we, karma, te veel boeken, te hebberig, zeg maar dag met je handje, zo veel papier, het zuigt aan, hij is er, de zondvloed.

In de bijkeuken zit een deur. Die smeet ik hijgend open. En verdomme, tuurlijk wel, er denderde een bergbeek, het ding gulpte van de dijk naar beneden, kromde zich juichend de brandsteeg in. Die stond al aardig blank, zwart water klotste tegen de vestingmuur met aan weerszijde mijn vastgespijkerde grote liefde, m’n perendrupje, m’n allessie, m’n boekenkast.

Geen paniek. Wel paniek! ‘WATER’, brulde ik tegen Jet, die op de bank zat te lezen, snorrend tussen de torenhoge, kurkdroge schappen. Ik draafde naar buiten, verderop was een stenen trap naar de dijk. Lang niet gerend, kraakten mijn benen, lang niet gepompt, kraakte de walnoot – de pomp! Dom! De dompelpomp moest aan!

Weer terug in de steeg zocht ik het vierkanten pompgat. De vorige slotvoogd, een CDA-wethouder, had er een Kärcher SP3 ‘dirtmaster’ ingehangen, een driftig lurkertje waarmee hij dagelijks het grondwater terugpompte.

Wij niet, water zit tussen je oren, had ik bedacht, zeker als je een waterhoofd hebt. (Tegenwoordig is hij burgervader in Harderwijk, hopelijk liggen de dolfijnen niet droog.) Nu zette ik de gemalen toch maar aan!

‘DE BOEKEN’, brulde ik tegen Jet, die geeuwend een leeslint in haar dundrukje legde. Ze ging waternet bellen, beloofde ze. Ik rende alweer naar de dijk. Boven stond voor zijn huisje een man, op zijn hoofd een platte pet, hand in zijn zak. Geen gele, beschilderde klompen, dat niet. Wel waren er klinkers uit de straat, bij de rulle aarde stond een wit-rode gevarendriehoek. ‘Water…’ hijgde ik, ‘beneden… een bergbeek…’

De man wees naar onze gemuteerde heg, model Tsjernobyl. ‘Moet korter’, zei hij. ‘Die is zev’n meter. Jullie moet zunne scháer huur’n. Néggeschaer. Het zien stamm’n gewurd’n. Boeëmstamm’n.’

‘Water… Boekenkasten!’ Het boerke legde me olijk uit dat ze de waterleiding hadden gerepareerd, hedenmiddag. Misschien zakte er wat overtollig water ‘deur d’n diek’. Ik gaf hem een hak voor z’n kiezen.

Nee hoor. Beneden, in de gedoemde bibliotheek van Atlantis, stond inmiddels Tim, onze buurman. Jet had hem gehaald, hij had zijn eigen dompelpomp in het kruipgat gehangen, zodat we twee pompen hadden! Waternet, meldde Jet, ging kijken of ze eraan konden komen. Kon wezen dat ze een loze leiding hadden aangekoppeld.

‘EMMER’, brulde ik. Hozen moesten we. Knokken! Zoals Johnny Hoos nee, kom… Hoes! Johnny Hoes! De ouwe platenbaas uit Weert! Ik had zijn biografie naar De Slegte begeleid! L.J. Veen! Geen verkoop! Hing geregeld aan lijn, de ouwe Hoes! Met z’n zachte stemmetje! ‘Gaan we samen knokken,’ informeerde hij! ‘Jodeljongen? Samen voor mijn boekkies? Gaan we samen knokken?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden