Column Eva Hoeke

Zes maanden woonden we nu in het Dorp, tijd voor een tussenstand

Foto Robin de Puy

Zes maanden woonden we nu in het Dorp. Zes maanden, twee seizoenen, te kort voor een eindoordeel maar goed genoeg voor een tussenstand. Die tussenstand bleek precies dat te zijn, een stand tussen twee polen, een wonderlijke mengeling van trots en treurnis, als mensen vroegen of het beviel antwoordde ik met ja én nee.

Ja, omdat wat ruimte doet met een mens niet te onderschatten is.

Nee, omdat ik de krant in het café miste, de wereld aan je voeten, de tienduizend kleuren in het voorbijgaan. De meesten begrepen het, anderen reageerden verdedigend. 'Je woont toch vlakbij?', zeiden ze, alsof hen iets af werd genomen. 'Met 20 minuten zit je in de stad!' Tegen hen zweeg ik over het haperen van treinen en de afwezigheid van rafelranden, over zondagsrust en symmetrie in vensterbanken, over barbecuewedstrijden en ruitjesoverhemden, en in plaats daarvan stak ik de loftrompet over frisse lucht, ieder een eigen kamer en een oma in de buurt, net zolang tot ze tevreden knikten en we ieder onze weg gingen. 's Avonds in bed zeiden we tegen elkaar dat als we ooit een miljoen zouden winnen we meteen weer terug zouden verhuizen.

Intussen werden vreemde gezichten allengs vertrouwde gezichten.

De filiaalmanager van de Blokker, een man die elke ochtend de vlag ophing, begon ons te begroeten. De eigenaar van het enige huiskamerrestaurant bleek Vitesse-fan te zijn, wat voordelen bood voor de enige man in huis. De moeders op het schoolplein zwaaiden soms, ontroerend was de man met de blindengeleidehond en het baby'tje op zijn buik, wachtend op het kind in de klas. Van hun dagelijkse hereniging, met een tekening voor de baby en een hand voor de vader, kreeg ik geen genoeg.

Andersom leek er tussen mij en de stad steeds meer te verschuiven.

Op dagen dat ik er werkte, viel me op hoe druk het er was, hoe druk en hoe vies, de hoeveelheid toeristen kwam me onwerkelijk voor en toen ik bij een vriendin op bezoek ging, de enige met een tuin, zag ik hoe snel een kinderhand gevuld is. In de trein terug zocht ik naar herinneringen die ik niet meer kon vinden en wist ik dat ik er niet langer thuishoorde, net zomin als ik thuishoorde op de plek waar ik even later de trein uitstapte.

Een onverwachte bondgenoot meldde zich in de vorm van het weer, waarmee het nut van de tuin en daarmee het nut van de verhuizing. Hoe vaak niet had ik onze boven-woning vervloekt, het betonnen balkon waar je je kont niet kon keren, het gesjouw met karren en kinderen, de tocht naar plekken waar je over de hoofden kon lopen, nooit rust, altijd consumeren. Nu dronk ik koffie in mijn eigen tuin, onder mijn eigen boom, en terwijl in de verte een grasmaaier klonk en de Dochters een zandtaart bakten, zag ik door mijn wimpers de witte strepen in de lucht van vliegtuigen op weg naar verre reizen die ik allemaal al had gemaakt, en prees ik me gelukkig. En net toen ik gelukkig was, stond ik bij de supermarkt en zei mijn Dochter, 14 maanden oud, doe-doei terug tegen de kassière, één van haar eerste woordjes, en riep ik bij thuiskomst dat ik nog diezelfde dag wilde verhuizen.

De stand tussen twee polen.

Gisteravond haalde ik de was van de lijn toen ik vanuit het repetitiegebouw achter ons huis de harmonie hoorde oefenen. Ik sloop naderbij en zag hoe een kring van koperblazers een wonderschone versie speelden van Casper's Lullaby, grijs en jong zij aan zij, verenigd in een schitterende eenvoud, en ineens wist ik het niet meer zo zeker, van dat miljoen.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Eva Hoeke.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.