ColumnPeter Buwalda

Zelf schrijf ik om geen wekker te hoeven zetten

null Beeld

In mijn hand heb ik George Orwells Why I Write, een boekje dat honderdtwintig pagina’s telt en deel uitmaakt van de Penguin-reeks ‘Great Ideas’.

Die George Orwell. Zelf schrijf ik om geen wekker te hoeven zetten.

Dat is geen grap. Acht jaar lang vochten we een loopgravenoorlog uit, het radioding en ik. Eerst in Enschede, waar kilometers verderop Bert Groenman, mijn ouwe chef van UT-Nieuws, op me zat te wachten, tikkend op zijn horloge, ‘stond de brug open, kleintje’, zei hij als ik slaapwandelend arriveerde. Later in Haarlem, bij L.J. Veen, waar natte ramsj om 08.45 op de zombie lag te wachten, ’s nachts dus, in een andere stad, nota bene. Ja, dit alles inspireerde mij tot het schrijven van dikke boeken.

Gisterenavond wilde ik plotseling weer eens een wekker zetten. De eerste sinds 2006. Een kleintje.

Hoezo?, vroeg Jet.

Om scherp te blijven, zei ik. Even de neus dezelfde kant op krijgen. Een soort heisessie. Om het te vieren, vijftien jaar zonder.

Morrend stelde ze mijn iPhone in, die kennelijk de gedaante van wekker kon aannemen. Barbapapa, zei ik welwillend. Heeft-ie ook radio? Nee, dat niet. Wat een achterlijk apparaat, zeg.

En inderdaad, het viel vies tegen. Net als vroeger sliep ik onrustig en werd drie minuten voor lancering wakker. Knap, maar zinloos. Halverwege die drie minuten viel ik weer in slaap, waarna ik me toch nog kapot schrok. Erna: snoozen, een manier van zijn die ik gewoonweg vergeten was. Meteen weer verslaafd, natuurlijk. Ik moest snoozen.

Jet niet. Als ze zelf eens een wekker zet, springt ze er meteen uit. Echt zoef eruit. Ik slaap dan lekker door, natuurlijk, ook dat is liefde. Maar ook nu: floep, weg was ze. Op mijn wekker!

Dus jij bent een snoozer, zei ze toen ik helemaal doorgesnoozed de ontbijtzaal betrad. Wat had ze al die tijd in me gezien, zo klonk het.

Snoozen is naar, bromde ik, je glijdt volkomen af in dromenland. De eerste keer voel je je nog verzaligd en vrij van zonden, maar met de snooze komen er schulden. Tijdens de vijfde deug je nergens meer voor, nou ja, voor tbs.

Tja, zei Jet. Ze was verdiept in de krant.

Liever zette ik andermans wekker. (Geen reactie.) Dat was nog wel aardig. (Stilte.) Bijvoorbeeld die van Woody, mijn jaarclubg’noot.

Woody’s wekker? Peter – hoezo?

Op die vraag hoopte ik.

Nee, het zat zo, we hadden een keer een feestje in Woody’s studentenhuis. Maar Woody zelf werkte al voor een baas. Dom natuurlijk, zie boven. Maar stiekem had de jaarclub Woody’s wekker drie uur vroeger gezet. Dus daar zaten we om half drie ’s nachts, op de kringloopbank naar zijn kamerdeur te kijken.

Gejengel. Bam. Snoozen. Gejengel. Bam. Snoozen. Deur open, daar ging Woody hoor, met z’n handdoekje richting douche. Hij zag ons niet!

Zingend douchen. Serieus.

Volgens de meeste g’noten merkte Woody meteen erna, op weg naar zijn kamer, dat er iets niet klopte. Weer anderen, onder wie Woody zelf, beweren dat hij eerst, helemaal aangekleed, cornflakes heeft zitten eten. Een enkeling zweert dat hij helemaal naar zijn werk is gereden, heeft ingebroken, en nu, jaren later, nog altijd veel vroeger dan zijn collega’s naar huis gaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden