Yvonne Zonderop: het christendom schraagt nog steeds onze cultuur

Heeft Nederland zich in de tweede helft van de vorige eeuw van religie bevrijd? Yvonne Zonderop, kind van de jaren zestig, gelooft er niets van. En achteraf gezien, vindt ze, pakte de poging tot afrekening niet goed uit. Ze schreef een boek over christelijke inspiratie in een ontzuild land. 

Yvonne Zonderop: ‘Het gaat om het besef dat er iets groters is dan onszelf.’ Foto Jiri Buller / de Volkskrant Beeld Jiri Buller

Journalist Yvonne Zonderop (1955) is genoeg kind van de jaren zestig om zich nog de voldoening voor de geest te kunnen halen waarmee destijds het afscheid van God werd begroet. Haar rooms-katholieke ouders waren weliswaar niet zo strikt in de leer, dus zij had de beklemming van een leven in de schaduw van de kerk zelf niet zo gevoeld. Toch heeft zij geen moment getreurd om de verdwijning van de mis uit haar leven en om de snelle ontbinding van de katholieke zuil. Het was, in haar ogen, en vanzelfsprekende ontwikkeling. ‘Het was mooi geweest met die kerk.’

De vorming van het eerste paarse kabinet, in 1994, was de bekroning van dat proces. En Yvonne Zonderop, destijds adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, vond het prachtig. ‘In mijn omgeving heerste een sfeer van opluchting. Van lichte euforie zelfs. Zo van: eindelijk zijn die christenen uit het machtscentrum verdreven.’

Gaandeweg ging de twijfel knagen: was het christelijk waardenstelsel niet te snel en te rigoureus afgedankt? Van welke bron van inspiratie hadden we ons met die ontkerkelijking zo achteloos ontdaan? Zonderop betrapte zichzelf op een zekere gevoeligheid voor christelijke thema’s en verhalen uit haar jeugd. ‘Die bleken wel degelijk in mij te zitten, ook al had ik vol overtuiging de kerk verlaten’. Zij denkt dan ook niet dat het met de godsdienst in dit deel van de wereld onherroepelijk voorbij is. ‘Religie kleeft aan de mensheid. Wij meenden dat de rest van de wereld ons seculiere voorbeeld zou volgen, maar het tegendeel is het geval. 88 procent van de wereldbevolking is religieus. Als stelsel van zingeving kent religie eigenlijk geen serieuze concurrent.’

Ook in Nederland keert religie terug, zegt ze. Dan gaat het niet zozeer om hernieuwd kerkbezoek, al is daar op sommige plaatsen wel sprake van, maar om nieuwe religieuze vormen – met het christendom als inspiratie – die een brug vormen tussen geloof en ongeloof. Haar zoektocht naar de betekenis van dit geloof voor een samenleving die zich los van God waande, heeft geresulteerd in het boek Ongelofelijk – Over de verrassende comeback van religie.

Dat klinkt als een wensdroom. Wat zijn we in Nederland met de marginalisering van het christelijk geloof precies kwijtgeraakt?

‘We zijn vergeten dat onze identiteit is doortrokken van het christendom. Dan heb ik het niet over de joods-christelijke cultuur die Wilders gebruikt om zich tegen de islam af te zetten, of over de paaseitjes waar Halbe Zijlstra het over had, maar over het christendom als moreel richtsnoer. Het is vijftien eeuwen lang een voorname bron van inspiratie geweest. Door het geloof af te leggen hebben we onszelf ontdaan van een zekere nederigheid. De ‘verticale dimensie’ noemde psychiater Frank Koerselman dat: het besef dat er ook nog wat boven ons hangt. Dat kan een God zijn die de wereld in zes dagen heeft geschapen of een natuurkracht waar wij onderdeel van zijn. Het gaat om het besef dat er iets groters is dan onszelf.’

Waarom hebben we zoveel baat bij dat besef?

‘Het maakt ons gelukkiger dan de belastende waan dat je zelf het centrum van de wereld bent. In het christelijk geloof lag altijd het idee besloten dat er een hogere macht is die ons ziet en die over ons waakt. Die vanzelfsprekende erkenning en die geborgenheid zijn we kwijtgeraakt. We hebben met veel misbaar onze wortels in het christendom doorgehakt. Daardoor begrijpen we een deel van onze eigen cultuur niet meer. En we begrijpen andere gelovigen slecht. We hadden ons zo veel beter met de moslims in ons midden kunnen verstaan als wij niet zo overgevoelig waren geweest voor religie. Onder het mom van scheiding tussen kerk en staat zijn we het openbaar domein gaan ontsmetten van religie. Daarin zijn we compleet doorgeslagen. Ik bepleit absoluut niet dat we allemaal terug moeten naar de kerk. Wel vind ik dat we religie in het algemeen weer serieus moeten gaan nemen, en dat je – ook als je niet belijdend bent – beseft dat wij schatplichtig zijn aan de christelijke cultuur.’

Hebben PVV en FvD hun bestaan te danken aan onze overgevoeligheid voor religie?

‘Ze raken volgens mij een snaar bij veel mensen die niet meer geloven maar die zich nog wel in een christelijke traditie voelen staan. Mensen zijn bang dat die traditie is verdwenen, omdat kerken alleen hun eigen denominatie hoeden. Daarom is het zo belangrijk dat ook niet-populisten opkomen voor de christelijke erfenis.’

Waarom heeft uw generatie daar met zoveel enthousiasme afstand van genomen?

‘De uittocht uit de kerk was niet alleen, en waarschijnlijk niet in de eerste plaats, een afscheid van God. Het was een afscheid van een sociale constellatie. Van alle conventies die bij een levensbeschouwelijke zuil hoorden. Mensen kregen genoeg van die beknellende groepsdwang. Geloof was soms meer een kwestie van gedrag en regels dan van geestelijke inspiratie.’

Hoe voltrok dat proces zich bij u zelf?

‘Mijn ouders waren nogal rekkelijk in hun geloofsleven. Met name mijn moeder moest weinig van de kerk hebben, al kon zij dat toen niet hardop zeggen. Je wilde je niet buiten de groep plaatsen. Maar in Rijswijk, waar ik mijn jeugd doorbracht, leidden we wel een katholiek leven. Zo werden we vanuit de basisschool rechtstreeks naar de biechtstoel geleid. Dan zei je tegen de pastoor aan de andere kant van het raster dat je koekjes had gegapt, of zoiets. Dan kreeg je tien weesgegroetjes, en die ging je dan braaf opzeggen. In de kerk zag ik mensen zitten die het gezicht in hun handen hadden begraven, en ik wist niet beter dan dat zij een toneelstukje aan het opvoeren waren. Zoals ik had gedaan in de biechtstoel. Dat waren de gedragsregels. Iedereen deed dat zo.

‘Op donderdagmiddag haalden wij met klasgenootjes zilverpapier en kranten op voor de missie. De opbrengst leverden we in bij meneer pastoor. Die trakteerde ons op ranja en nam ons beurtelings op schoot. Dat vond ik niet fijn. Nadat ik dit aan mijn moeder had verteld, gingen we naar een andere parochie. Daar deden ze een zondagse avondmis. Mijn vader was nogal voetbalgek. Om Sport in Beeld te kunnen zien, slopen we vijf minuten voor het einde van de mis de kerk uit. En zo verdween de kerk geleidelijk uit ons leven. Dat voelde niet als een radicale breuk. Ik had nooit echt geloofd en voelde mij ook niet bevrijd toen we niet meer in de kerk kwamen.’

En zat er nog religie in de opvoeding van uw eigen kinderen?

‘Wij, de ouders, hebben in dat opzicht verzaakt. Dat onze kinderen nog iets van religie hebben meegekregen, is de verdienste van mijn schoonmoeder. Die was intellectueel gelovig. Toen haar kinderen het huis uit waren, is zij theologie gaan studeren. Ze paste geregeld op onze kinderen, en dan nam ze een kinderbijbel en, soms, een Mariabeeldje mee. Wij dachten: vooruit, maar het moet niet te gek worden. Maar de kinderen vonden het prachtig. Nu ben ik blij met haar taakopvatting. Mijn schoonmoeder heeft hun nog iets meegegeven. Ze hebben een zeker respect voor religie, iets waaraan het veel van mijn generatiegenoten ontbreekt.’

En hoe sijpelde het geloof terug in uw leven?

‘We kwamen natuurlijk weleens in een kerk of een museum. De kunst waaraan je je daar blootstelt, is niet te begrijpen zonder kennis van bijbelverhalen. Religie is vaak het bezielde element in kunst. Datgene waardoor ik, tot mijn eigen verbazing, werd geraakt bij de aanblik van schilderijen van El Greco of bij het luisteren naar Bach. Toen merkte ik: iets van dat bezielde zit ook in mij. Nog steeds heb ik niet de neiging om naar de kerk te gaan. Schrijver en publicist Stephan Sanders, met wie ik een openbare correspondentie over geloof heb gevoerd in De Groene Amsterdammer, wil met God de Vader kunnen praten. Ikzelf heb die behoefte niet. Maar ik ben wel tot de conclusie gekomen dat onze cultuur schatplichtig is aan het geloof. Dat ik in een traditie sta.’

Daar had u het ook bij kunnen laten. Maar u ging een boek schrijven.

‘Ja, en dat viel nog niet mee. Ik heb er veel schroom voor moeten afleggen. Niet zozeer schroom om als gelovige te worden aangemerkt, maar wel vanwege de enormiteit van het onderwerp. Je betreedt een domein van twintig eeuwen deskundigheid. Over het geloof zijn bibliotheken volgeschreven, en dan kom ik als een Kuifje in Afrika zeggen: hallo, ik vind hier ook iets van. Ik heb heel veel gelezen voordat ik durfde gaan schrijven. Een goede vriendin zei: je hebt jezelf binnenstebuiten gekeerd. Maar ik wilde geen persoonlijk verhaal schrijven. Er worden al genoeg persoonlijke verhalen verteld met de pretentie dat die voor iets groters staan. Het gaat niet over mij. Ik heb geprobeerd een verhaal over Nederland te vertellen.’

Is dat het verhaal van een land dat, net als u, weer oog krijgt voor zijn religieuze verleden?

‘Zoiets. Laten we nu eens benoemen dat het christendom nog steeds onze cultuur schraagt. Laten we nu eens onder woorden brengen waarom het cultuurchristendom, waarbij de effecten van het geloof op het persoonlijk en maatschappelijk leven centraal staan, voor veel mensen van grote waarde is. Dat het bij ons hoort en dat het bij uitstek bij Nederland hoort. Wij hebben een lange traditie van religieuze diversiteit. Daar danken wij onze reputatie van tolerantie aan. In de ogen van God is iedere mens van evenveel waarde, ongeacht zijn bijdrage aan de samenleving. Op die, ooit revolutionaire, gedachte stoelt onze democratische rechtsstaat.

‘Bij ons werkten kerk en overheid intensief samen, en dat is lang goed gegaan. Je kunt veel op de verzuiling aanmerken, ze droeg wel bij aan solidariteit, sociale veiligheid en beschutting. Mensen kenden elkaar en letten op elkaar. Alle sociale lagen waren in een levensbeschouwelijke zuil verenigd. Die zuilen waren verticaal van elkaar gescheiden. Ik kwam, bij wijze van spreken, pas op mijn 17de voor het eerst een protestant tegen. Nu is er een horizontale scheiding tussen hoog- en laagopgeleiden. Is dat zoveel beter?’

U wilt het geloof terug, maar niet de kerk. Dat lijkt me lastig. Beide waren tenslotte eeuwenlang met elkaar verweven.

‘De grote vergissing die wij maken, is dat we religie zien in zijn bevroren vorm van de jaren vijftig. De beelden die Maarten ’t Hart, Maarten Biesheuvel en Jan Siebelink hebben opgeroepen, zijn iconisch geworden. Maar ze doen geen recht aan de genuanceerde werkelijkheid. Er is altijd geloof geweest buiten de gevestigde kerken. En zelfs binnen kerken maken gelovigen hun eigen voorstelling van zaken. Ze volgen helemaal niet per se wat meneer pastoor of de dominee zegt. Maar de energie zit bij de buitenkerkelijke geloofsgemeenschappen. Daar bruist het. Daar zitten ook mensen die helemaal niet bij een kerk willen maar die wel willen ontkomen aan het geestelijke vacuüm dat na de verzuiling ontstond wat hen aanspreekt. Binnen de restanten van de oude zuilen maken achterblijvers elkaar vooral het leven zuur. De katholieke achterban in Brabant gunt de progressieve bisschop Gerard de Korte zijn roze zaterdag nog steeds niet.’

Maar waarom zou van een kerkdienst in een café een grotere aantrekkingskracht uitgaan dan van de verguisde beatmis?

‘De beatmis, een hippe mis voor de jeugd, met gitaren en drums, werkte niet omdat ze de dogma’s in de rooms-katholieke kerk onaangetast liet. Als het alleen een kwestie van vorm is, verandert er niets. Nu de verzuiling achter ons ligt, kunnen we eindelijk praten over christelijke inspiratie in plaats van over een katholieke, hervormde of gereformeerde kerk. De aandacht hoeft niet meer uit te gaan naar de scheidslijn tussen de denominaties. Die vervaagt vanzelf.’

Moeten we bij de terugkeer van de religiositeit ook aan The Passion denken?

‘Waarom niet? Daar kijken meer mensen naar dan naar een wedstrijd in de Champions League. Twintig jaar geleden was het toch volstrekt ondenkbaar dat honderden mensen in een EO-programma achter een kruis zouden aanlopen? Hebben de mensen die dachten dat religie een aflopende zaak was inderdaad gelijk gekregen? Die vraag kun je je stellen.’

Maar met de Bijbel neemt de postseculiere samenleving het niet zo nauw, gezien het feit dat de Johannes Passion tegenwoordig ook ná Pasen wordt uitgevoerd.

‘Het doet mij inderdaad een beetje denken aan pepernoten in september. Maar wat maakt het uit. Beter een Johannes Passion ná Pasen dan helemaal geen Johannes Passion.’

Yvonne Zonderop: Ongelofelijk – Over de verrassende comeback van religie. Uitgeverij Prometheus. 19,99 euro.

In De Balie vindt op 17 april een openbaar debat over het boek van Yvonne Zonderop plaats. Voor reserveringen: www.debalie.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.