Column Ibtihal Jadib

Wiskunde werd een obsessie, ik zou er alles aan doen om niet te blijven zitten

Beeld Valentina Vos

In 1999 was ik 15 en begon ik aan het schooljaar 4 vwo. Onze klas zou de eerste lichting worden van de ‘Tweede Fase’, het onderwijs waarbij je geen vakkenpakket meer kiest maar een profiel. We gingen er in de klas mee om zoals van een stel pubers te verwachten valt: we vonden het ‘helemaal ruk’. Het ongenoegen was zo groot dat we zelfs naar Den Haag gingen om te protesteren. Ik weet nog hoe we in een touringcar aankwamen op het Malieveld en hoe spannend ik dat vond. Het werd een groter avontuur dan waarvoor ik had getekend want ik belandde op het Binnenhof waar ik klem kwam te zitten in een boze menigte. Terwijl het om mij heen losging en ruiten begonnen te sneuvelen, huilde ik stilletjes om mijn moeder.

Die Tweede Fase kwam er gewoon, maar bleek toch zo erg nog niet. Dat zelfstandig werken beviel me eigenlijk wel. Nee, het gevaar kwam uit een heel andere hoek: de nieuwe wiskundeleraar. Dat was een eigenaardige man met Einstein-achtig haar die de week steevast begon met cryptische verhaaltjes over rabbijnen of monniken.

Die leraar zou me tot waanzin drijven. U moet weten, ik was een redelijk ijverig meisje dat heus haar best deed maar mijn toewijding werd vaak afgetroefd door luiheid. Ik had nooit échte stress, als ik een beetje m’n best deed was het al goed. Dat veranderde in 1999 toen ik mijn eerste proefwerk wiskunde terugkreeg: een 2,6. Ik staarde verbluft naar het blaadje, dit moest een misverstand zijn! Oké, herpakte ik me, even flink blokken voor het volgende proefwerk. Dat haalde niks uit. Er volgde een indrukwekkende reeks onvoldoendes waardoor ik op mijn eerste rapport uitkwam op een 3,3. Ik dacht dat ik doodging. Het hersengebied voor relativeringsvermogen was waarschijnlijk nog in ontwikkeling en verder had ik, toen al, een groot gevoel voor drama.

Het frustrerende aan mijn wiskundeleraar was dat hij niet geïnteresseerd was in het juiste antwoord. Je moest bij hem ie-de-re stap uitschrijven, pas dan kreeg je punten. Les na les stond ik aan zijn bureau geplakt om te controleren of hij tevreden was met mijn uitwerkingen. Wiskunde werd een obsessie, ik zou er alles aan doen om niet te blijven zitten. Mijn hoop werd de grond in geboord toen ik een proefwerk terugkreeg met een 5, verslagen keek ik naar de leuke klasgenoten die ik zou moeten verlaten. Die keken somber terug want iederéén was wiskunde gaan haten, het gemiddelde van de klas was dramatisch. Dit in tegenstelling tot onze parallelklas. Waren wij echt met z’n allen zoveel dommer? Ik had er dagen voor nodig om moed te verzamelen voor ik op de leraar afstapte met een brutaal verzoek: of hij een paar proefwerken wilde laten nakijken door zijn collega. Hij leek uit het veld geslagen, schuldbewust maakte ik me snel uit de voeten toen de bel eindelijk ging. De volgende les stond hij me echter glimlachend bij de deur op te wachten: zijn collega bleek bijna twee punten meer te geven, mijn 5 was bij hem een 7-. De leraar bedankte me voor deze ‘ontdekking’ en zei dat de normering voortaan beter zou worden afgestemd. Hij was oprecht blij. Toen ik later dat jaar overging naar 5 vwo stond er op mijn rapport: ‘positief en kritisch, een prima combinatie’. Lieve meneer Schutte, het was me het jaartje wel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden