Column Willem Vissers

Willem Vissers bezoekt het monument voor de slachtoffers die vielen tijdens Spartak Moskou – Haarlem in 1982

Het monument bij stadion Loezjniki.

Eerst ziet bijna niemand het gestaalde verdriet rond stadion Loezjniki. Twee dagen heb ik daar gezeten op een bankje, per keer ruim een half uur, om te zien of iemand naar het monument omkeek dat is opgericht om het verdriet te herdenken. Niemand. Het leed lag ook een beetje verborgen, achter een hek met doeken en teksten. Je kon er net doorheen kijken, als door het kant op de rug van een vrouw op een zomerdag. Dan zag je een zilverig schijnend, metalen ding.

Maar je moest dus weten dat het verdriet achter dat hek schuilde. Het leek alsof de Russen zich schaamden voor de doden. Nee hoor, zeiden de personeelsleden, het was niet de bedoeling het kunstwerk aan het zicht onttrekken, althans niet dat zij wisten. Ze wilden het gewoon beschermen, en op deze manier waren de loopwegen naar de vipdorpen duidelijker aan te geven.

Want rond stadion Loezjniki in Moskou is het feest, bij elke wedstrijd. Bier, hamburgers, verbroedering van voetbalvolkeren. Uitwisseling van foto’s. Omhelzingen. Hier bruist het leven. Slechts een paar meter uit de loop van het gedruis ligt dus het monument voor de doden, de doden van 1982, gevallen bij de Europese wedstrijd Spartak Moskou – Haarlem. Hoeveel doden? 66 volgens het kunstwerk.

Het was een wedstrijd in de kou, op 20 oktober, ruim 35 jaar geleden. Sneeuw, een laat doelpunt, supporters binnen en mensen die al buiten waren en terug wilden, uit nieuwsgierigheid. Slechts één geopende poort. Falende politie. Glijpartijen, gedrang, elkaar vertrappende mensen, onder wie veel kinderen. Zij stonden bovenaan de tribune, zij werden geplet tussen de groepen in paniek.

De Haarlemmers op het veld hadden vrijwel niets door, want Rusland was nog de Sovjet-Unie en hield slecht nieuws het liefst onder de indrukwekkende pet. De Nederlanders hoorden na de wedstrijd alleen sirenes van ambulances. Pas in de tijd van perestrojka bereikte de onheilstijding het westen, hoewel nog steeds onduidelijkheid bestaat over het aantal doden. Op de tekst op het monument staat: officieel 66. Maar officieus dan? Aantallen van 300 en hoger zijn genoemd. Ouders kregen nauwelijks tijd hun kinderen te identificeren.

Bij de tekst op het begeleidende bord staan de namen van de ontwerpers, Georgi Lanasjarski en Mikhail Skovorodin. Het monument stelt een vrouw voor die rouwt om haar kind, met tribunes rondom. Het vermeldt de 66 namen van de officiële slachtoffers en steden van andere stadionrampen: Lima, Sheffield, Brussel, Glasgow, Buenos Aires, Cairo, Bastia. Er staan vier kransen met kunstbloemen, met linten.

Maar dan, op zondag, voor Duitsland – Mexico, zijn de hekken opeens weg. Ze liggen opgestapeld op de grond. Opeens ligt het monument te blaken in de zon, zonder belemmering. Zonder schaamte, lijkt het, alsof de geschiedenis onveranderlijk is en geaccepteerd. En opeens blijven mensen even staan, opeens komen de namen tot leven. Mexicanen maken een foto voor de kransen. Een Duitser is even stil. 

Een jonge vrouw uit Sint-Petersburg leest de tekst en schudt heel langzaam haar hoofd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.