Verslaggeverscolumn Toine Heijmans in Boedapest

Wij, de massa der onbenulligen op gympen, zijn evengoed een prachtig gevolg van welvaart en vrijheid

Toine Heijmans

Op het eerste gezicht leek Boedapest, zoals de stad ons had toegeschenen, een volledig aan het toerisme uitgeleverd openluchtmuseum dat ooit van adembenemende schoonheid moet zijn geweest.

Die zin, de naam ‘Boedapest’ uitgezonderd, leen ik uit de roman van Ilja Leonard Pfeijffer, Grand ­Hotel Europa, een dampende aanklacht tegen het toerisme dat de schatten van het continent verteert. Toeristen, de ‘massa der onbenulligen’, de ‘kortgebroekte horden’, trappen ons erfgoed stuk en daarna halen ze een hamburger en smijten de resten op het historische plaveisel in de nacht.

Het is een mooi boek dat godzijdank ook de liefde behandelt, de kunst en seks, maar beter had ik het gelezen op een later moment.

Berouwvol vouw ik me in stoel 22B van het speelgoedroze vliegtuig dat klaarstaat op de uit haar grenzen gegroeide regionale luchthaven, waar een permanente stroom reizigers met rolkoffers paspoortloos aan boord gaat. Links en rechts van me duwen breedgeschouderde mannen zich in hun zetels; de één leest scrupuleloos in 100% Boedapest, de ander ontvouwt ongegeneerd de plattegrond uit zijn Top 10 Boedapest, om zich vervolgens breeduit een beeld te vormen van het stratenpatroon rechts van de Donau – of was het links? – waar het verdacht voordelige Airbnb-appartement is gehuurd met uitzicht op de Szent István ­Bazillika die na zonsondergang koperkleurig oplicht – althans, volgens de foto’s.

Stedentrippers, samengepakt in het vliegtuig.

Deze mannen zijn mijn boezemvrienden. Wij zijn stedentrippers. ‘Het toerisme heeft een dode stad vermoord’, schrijft Ilja – ziehier de daders op sneakers, voorzien van bagage zonder inhoud. Wij zijn het nieuwe proletariaat dat op een koopje de oude lucht inademt van een stervend continent, enkel bezig met de vraag welk restaurant de juiste Hongaarse gerechten opdient tegen de juiste prijs.

Ilja stelt lijfstraffen voor, die hij genoeglijk opsomt in zijn boek. Wij laten ons afzetten door een taxichauffeur en navigeren met Google Maps van het Oktogon naar Paulay Ede utca waar we forinten pinnen en bier drinken en besluiten de dag te besteden aan de bekendste toeristenroute: eerst zuidwaarts naar de Nagy Vásárcsarnok, de pittoreske markthal vol paprikasalami, dan over de glorieus groene Szabadság híd naar de Várhegy en ­terug in zo’n leuk typisch trammetje, de vaporetto van Boedapest.

We stedentrippen tussen stedentrippers; sommigen halen ons in op Segways, hun gecertificeerde stadsgidsen achterna. We beklimmen de Gellért-hegy in kolonne, beschaamd, het is warm en we torsen de zware zinnen van Ilja mee: anonieme toeristen in gympenparade omhoog naar de tips van Tripadvisor.

Maar stel je voor, zegt mijn boezemvriend, draai het eens om: dat het voor toeristen onmogelijk was te reizen. Dat zo’n reisje was voorbehouden aan de elite, aan degenen met het juiste paspoort. Is het niet prachtig, al die gewone stedentrippers die hoe dan ook iets meenemen naar huis, een paprikasalami misschien maar in elk geval een beeld, een ontmoeting, een Hongaars woord, een vorm van begrip. Het is niet veel, maar het is iets.

Dat lucht op. Wij, de stedentrippers, zijn hier niet voor niets.

Selfies maken op de Szabadság híd.

Zo bereiken we het Hadtörténeti Múzeum, nummer 91 op Tripadvisor, waar de wereldoorlogen zijn tentoongesteld plus de Hongaarse Opstand van 1956. Loopgraven, frontplattegronden, soldatenkoppen – verslagen komen we naar buiten. Staal en kruit, nationalisme en egoïsme maakten Europa kapot maar kijk nu eens: de zon over de Donau, de burchtheuvel vol stedentrippers, selfies schietend met de rivier.

De Donau begint in het Zwarte Woud en eindigt in de Zwarte Zee, dit is een stad daartussen; je reist er voor weinig heen en ademt dan Europa in. Staat u mij toe, Ilja Leonard Pfeijffer, het volgende te poneren: toerisme is ook een overwinning op een zwart verleden, en een voortzetting van wat in de 19de eeuw begon: emancipatie. Het is werkelijk grenzeloos. Wij, de massa der onbenulligen, zijn evengoed een prachtig gevolg van welvaart en vrijheid, op gympen weliswaar, maar dat loopt nu eenmaal beter.

We rusten uit op de magnifieke trappen van het gerestaureerde Szépmüvészeti Múzeum, waar we de Van Dyck gaan zien – stedentrippers waarderen oude meesters. Kijk, zegt mijn hartsvriend, en hij wijst naar een pluk toeristen op het Hösök Tere: ‘Daar staat Ilja’.

Ilja staat daar, of het moet zijn dubbelganger zijn, er is een sterke uiterlijke gelijkenis. Hij draagt de versierselen van een gecertificeerd toeristengids en wijst zijn klanten het beeld van engel Gabriël.

Stedentrippers komen altijd rijker thuis dan ze vertrokken. We bekijken de Van Dyck en daarna de museumwinkel en daarna drinken we toeristenbier op een toeristenterras, wij, de gelukkigen, geboren in een gelukkige tijd.

Ilja Leonard Pfeijffer, dan wel zijn dubbelganger.

Verbetering: in een eerdere versie van deze column stond dat de Hongaarse Opstand is 1957 was, dat moet 1956 zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.