Column Aleid Truijens

Wie van onderwijs een wedstrijd maakt, creëert een keiharde ratrace

Bij mij in de buurt zitten er wel zes, in voormalige winkelpanden. Na schooltijd groeit de haag van fietsen voor de deur. Binnen zitten pubers stil te werken op met schotten gescheiden werkplekken. Aan een los tafeltje zit een jonge docent met één kind. ‘Er is nog plaats!’ staat op een oproep op het raam. Kennelijk vinden zij wél leraren.

De commerciële bijspijkerbranche boert goed en groeit hard: een op de drie middelbare scholieren heeft bijles of huiswerkbegeleiding, een op de vier kinderen in groep 8. Onderwijsminister Arie Slob schrok er enorm van. En hij gaf, heel voorspelbaar, net als zijn voorganger Jet Bussemaker, de schuld aan de ouders. Die zouden niet zo pushy moeten zijn. Ze zouden gehoorzaam het schooladvies moeten volgen en niet allemaal zo nodig hogerop moeten willen. Er is, vindt Slob, helemaal niets mis met het vmbo dat ouders zo vrezen.

Wat is er eigenlijk mis met bijles en huiswerkbegeleiding? Vanuit de ouders bezien helemaal niets. Als je merkt dat je kind niet wordt gezien in een overvolle klas, dat het vastzit, dat de school er ‘niet uithaalt wat erin zit’, dan wil je toch dat er iets gebeurt? En ja, het helpt meestal. Een kind dat veel aandacht krijgt, bloeit op.

‘Schaduwonderwijs’ heeft altijd bestaan, al waren het vroeger vooral ouders die met hun kinderen Duitse woordjes stampten of hun de merkwaardige producten uitlegden. Daar hebben ouders nu vaak geen tijd meer voor. Ze werken allebei, zoals de overheid dat graag ziet. Ouders vinden het ook wel fijn om te weten waar hun kinderen uithangen als ze te oud zijn voor de naschoolse opvang. Thuis kunnen ze rustig aan tafel; ze hoeven niet meer voor huiswerkpolitie te spelen.

Niet zo gek dat ouders geld voor bijles overhebben. Als ze het hebben, tenminste. Dat is precies wat er wél op tegen is: het is niet eerlijk tegenover kinderen met ouders die het niet kunnen betalen. Schaduwonderwijs werkt een tweedeling in de hand, langs lijnen van inkomen. En de kansenongelijkheid in ons onderwijs is al onnodig groot.

Zeggen dat het gewone onderwijs ‘kennelijk’ niet deugt, is te makkelijk. Er valt veel op aan te merken, maar het is niet ineens de afgelopen jaren dramatisch verslechterd. De eisen van de ouders zijn veranderd. Ouders beseffen dat hogeropgeleiden bevoorrecht zijn: ze verdienen meer, zijn gezonder, leven langer en gelukkiger. Je mag ouders niet verwijten het beste voor hun kinderen te willen.

Het is het systeem zelf dat de tweedeling veroorzaakt, niet de ouders. Wij laten twaalfjarigen vechten om een beperkt aantal felbegeerde plaatsen. Er hangt belachelijk veel af van het basisschooladvies. Het advies is geen uitslag van een objectieve toets waaraan je rechten kunt ontlenen, het komt op ondoorzichtige wijze tot stand. Achteraf bezien blijken milieu en herkomst van kinderen onbedoeld een grote rol te spelen bij het oordeel van leerkrachten.

Klimmen na een ‘te laag’ advies is nog altijd moeilijk. Kinderen gaan staan naar zo’n advies. Havo-advies voor iemand die vóór de bijles een vmbo-advies had, is niet oneigenlijk. Kinderen blijken vaak meer te kunnen als je meer van hen verwacht. Ze gaan dan in zichzelf geloven. Een ‘te laag’ advies werkt ontmoedigend, en komt ook uit.

Het is dit meedogenloze systeem waar we van af moeten. Als je kinderen niet zo vroeg selecteert, ze elkaar niet laat wegduwen maar laat tonen waar ze goed in zijn, is de paniek om een gemiste toekomstdroom onnodig. Wie van onderwijs een wedstrijd maakt, creëert een keiharde ratrace.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden