Een vader met zijn kind in de zee.

Interview Nara Milanich

Wie is de vader? Dat is nog steeds de vraag

Een vader met zijn kind in de zee. Beeld Hollandse Hoogte

Alle dna-testen ten spijt, zekerheid over wie iemands vader is, hebben we nog steeds niet, stelt Nara Milanich. Zij deed onderzoek naar de opkomst van vaderschapstesten en de geschiedenis van het begrip vader.

In maart 1926, in het kleine Noord-Italiaanse dorp Collegno, arresteerden de carabinieri een man die probeerde een koperen vaas te stelen van een joodse begraafplaats. Toen de zwerver de politie niet kon vertellen wie hij was, werd hij meegenomen naar het plaatselijke psychiatrisch ziekenhuis, alwaar hij werd geregistreerd als inconnu en een nummer ter identificatie kreeg: 44170.

Nummer 44170 viel al snel op door zijn sociale vaardigheden. Wie was toch die beleefde, duidelijk geschoolde patiënt die zich niet meer kon herinneren wie hij was? Een nationale krant plaatste het merkwaardige verhaal van de onbekende patiënt met een foto van de bebaarde 44170. Niet veel later meldde zich een vrouw, genaamd Giulia Concetta Canella, die zeker wist: dit is professor Giulio Canella, de vader van mijn twee kinderen. Giulia’s echtgenoot was in de Eerste Wereldoorlog in Macedonië vermist geraakt, ze had nimmer de hoop opgegeven dat zij de vader van haar kinderen weer zou terugzien.

De man leek bij een eerste, voorzichtige ontmoeting ook iets in Giulia Canella te herkennen. Na enig onderzoek mocht hij met haar mee naar huis, de media smulden van dit romantische verhaal.

Maar niet veel later kwam er een anonieme brief binnen bij de instelling: de man met geheugenverlies was niet professor Canella, maar oplichter, klaploper en anarchist Mario Bruneri. Familieleden van Bruneri, onder wie zijn vrouw Rosa, werden gehoord, en zij bevestigden zijn identiteit. Mario had weer eens een streek uitgehaald.

Maar Giulia Cannella wilde haar man niet kwijt. Een rechter die zich boog over de zaak, oordeelde dat dit toch echt Mario Bruneri was, die ook nog een openstaande gevangenisstraf moest uitzitten. Giulia Canella verloor zo haar eer – ze woonde niet samen met haar echtgenoot, maar met een oplichter. Het stel vluchtte nadat hij zijn  straf had uitgezeten naar Brazilië, en daar nam hun zaak een nieuwe, wetenschappelijke wending. Dokter Luiz Silva, een tandarts die zich toevallig net had gespecialiseerd in vaderschapstesten, wilde het echtpaar helpen. Silva wist met zekerheid te stellen dat je aan de hand van het gebit verwantschap kon vaststellen. De gehele familie Canella  liet afdrukken maken van de tanden, en professor Silva bevestigde: dat was toch echt professor Canella, de vader van alle kinderen (het stel had er inmiddels nog drie verwekt). Giulia Canella zou daarna haar hele leven blijven strijden voor eerherstel van haar familie, totdat ze in 1977 stierf.

Pas na de uitvinding van de dna-test in de jaren tachtig kon de werkelijke identiteit van de man op de begraafplaats worden onthuld, en wat bleek: het was toch Mario Bruneri.

Deze en vele andere curieuze vaderschapszaken zijn door historicus Nara Milanich opgetekend in haar boek Paternity  The Elusive Quest for the Father. Het boek kwam deze week uit, vlak voor vaderdag. Milanich, professor aan het Barnard College, beschrijft niet alleen de opkomst van de vaderschapstesten, maar ook de geschiedenis van het begrip vader. Dat begrip blijkt voortdurend onderhevig aan politieke, sociale en culturele invloeden.

Ondertussen blijft de vraag ‘wie is de vader?’ een populair thema in de literatuur, poëzie en muziek. Van Shakespeare en Thomas Hardy, tot aan Michael Jacksons megahit Billy Jean; de onzekere identiteit van de vader is een spannende plotlijn, een thriller. Ook na de ontdekking van dna, zo vertelt Milanich aan de telefoon vanuit haar kantoor in New York, is er nog geen einde aan de onzekerheid van de vaderlijke identiteit.

Hoe kwam u op het idee zich te verdiepen in de vaderschapstest?

‘In mijn vorige boek deed ik onderzoek naar buitenechtelijk geboren kinderen in Chili in de negentiende eeuw. Chili had toen zijn versie van de Code Napoléon, het burgerlijk wetboek dat verbood om via de rechter vaderlijke verplichtingen op te eisen. Er ontstond door deze wetgeving een hele generatie onwettige kinderen en alleenstaande moeders, die geen toegang hadden tot middelen en bronnen. Ongelijkheid werd zo niet alleen doorgegeven op de arbeidsmarkt, maar ook in de familie. Tijdens mijn research stuitte ik op vreemde stukken en rapporten uit het begin van de 20ste eeuw: medische verhandelingen over gebitten, bloedwaarden, gelijkenissen tussen neuzen en ogen. Het bleek dat overal ter wereld wetenschappers probeerden het antwoord te vinden op de vraag: wie is de vader? Veel van dit soort onderzoeken weerspiegelden de morele opvattingen over het vaderschap.’

U beschrijft in uw boek Paternity hoe er van oudsher over het vaderschap werd gedacht: als het grootste geheim van moeder natuur, een sluier die we nooit kunnen oplichten.

‘Klopt, dat idee voert ver terug. In het Romeinse recht is bijvoorbeeld vastgelegd: ‘pater semper incertus est’ en ‘mater certissima est’. De vader zal altijd onzeker zijn, terwijl het wel zeker is wie de moeder is en welke rol zij speelt. Uit deze twee principes vloeide een derde voort: ‘pater est quem nuptiae’, de vader is degene die trouwt. Deze principes zie je ook terug in joodse en islamitische en katholieke wetgeving.’

Konden alleen getrouwde mannen vader zijn?

‘Zij waren automatisch de vader van de kinderen, ook al waren deze verwekt door een andere man. Als er geen huwelijk was, was de vader hoogst onzeker. De invloed van dit denken zie je nog steeds terug in hedendaagse wetgeving, waarbij ongetrouwde mannen hun kinderen moeten erkennen, terwijl getrouwde mannen automatisch vaderschapsrechten en -plichten hebben.’

Hoe pakte deze Romeinse wetgeving, en latere varianten daarop, uit voor vrouwen?

‘Wat ik door de geschiedenis heen zie, is dat wetgeving rond vaderschap kinderen en vrouwen achterstelt. Toen de Code Napoléon werd ingevoerd in Europese landen, mochten vrouwen en kinderen niet langer naar de rechter stappen om alimentatie of erkenning te eisen. Het vaderschap kon toch niet worden aangetoond, was het idee, al die rechtszaken waren een schande. Het was voortaan alleen aan de man om te beslissen of hij de vader was.’

Welke invloed heeft het idee van ‘onzeker vaderschap’ gehad op westerse samenlevingen?

‘Daar zijn verschillende theorieën over. De negentiende-eeuwse filosoof Friedrich Engels stelde bijvoorbeeld dat pas toen het monogame huwelijk zijn intrede deed, vaders echt zeker konden zijn van nakomelingen en iets konden opbouwen. Het monogame huwelijk is volgens hem dan ook het begin van privébezit. Feministen als Mary O’Brien stelden eind jaren zestig van de vorige eeuw dat onzeker vaderschap de drijfveer achter het patriarchaat is. Omdat de man altijd onzeker is over zijn vaderschap, moesten vrouwen worden teruggedrongen naar een overzichtelijke privésfeer waar ze weinig handelingsvrijheid hadden.’

In de negentiende eeuw kwam volgens u het moderne vaderschap op in westerse landen. Wat was het verschil?

‘In het oude denken over vaderschap werd een spermacel gezien als een soort minimensje dat door de man in de vrouw werd geplaatst. In de negentiende eeuw ging men anders denken over voortplanting: zowel mannen als vrouwen droegen in de ogen van wetenschappers bij aan de totstandkoming van een kind. En de identiteit van de vader, die was niet langer het geheim van moeder natuur, die kon wel degelijk worden vastgesteld met behulp van wetenschap.’

U beschrijft pijnlijke en gênante vaderschapszaken. Waarop baseerde de rechter zijn oordeel?

‘Dat verschilde per land. In het Engeland van koningin Elizabeth I was de gedachte dat een moeder alleen tijdens de bevalling de waarheid sprak, zij werd dan ook tijdens het persen ondervraagd over de vader. Rechters in andere landen gingen af op getuigenissen van buren, familie. Had de man in kwestie de vroedvrouw betaald? Wat vertelde de moeder? Op grond van dit soort ‘bewijs’ moesten ze een vaak onmogelijke beslissing nemen. Geen wonder dat veel rechters blij waren toen de wetenschappelijke vaderschapstest zijn intrede deed.’

Maar, zo beschrijft u, erg wetenschappelijk waren die ‘testen’ vaak niet. Neem de oscillophore, een gigantisch apparaat met slangen, waarmee de Amerikaanse arts Albert Abrams met zekerheid dacht aan te tonen wie de vader was.

‘Abrams stelde dat je door middel van elektrische vibraties in het bloed verwantschap kon aantonen. Je had vele varianten van pseudowetenschappelijke vaderschapstesten, van het gebitsonderzoek van dr. Silva tot de kristallografie van dokter Edward Tyson Reichert. Sommige wetenschap was wel nuttig. Zo ontdekte Karl Landsteiner in 1901 de verschillende bloedgroeptypen. Op basis van zijn ABO-classificatie kon in sommige rechtszaken worden vastgesteld wie de vader niet was.’

Waarom kreeg de wetenschap begin twintigste eeuw zoveel interesse in de vaderschapstest?

‘Dat kun je niet los zien van de culturele ontwikkelingen. Vlak na de Eerste Wereldoorlog emancipeerden vrouwen. Vrouwen zeiden: wij zouden de last van het ouderschap niet alleen moeten dragen, mannen hebben ook een verantwoordelijkheid. Vrouwen gingen korte rokken dragen, deden lippenstift op. Het wakkerde een maatschappelijke angst aan: met wie gingen die vrouwen allemaal naar bed? De vaderschapstest voorkwam dat mannen ten onrechte voor de vader werden aangezien. Het was ook een periode waarin eugenetica en rassenleer opkwam. Vragen over ras en vaderschap liepen vaak door elkaar heen.’

De racistische leer van de eugenetica kwam tot volle wasdom in het Derde Rijk. Welke rol speelde de vaderschapstest daar?

‘De nazi’s raakten geobsedeerd door vaderschapstesten, omdat ze daarmee Ariërs van Joden konden onderscheiden. Ze wilden per individu vaststellen wie de ouders en de vier grootouders waren. Als een Joodse man of vrouw Arisch bloed in zich had, was het immers misschien een Mischling. Ook de nazi’s konden verwantschap niet met zekerheid vaststellen, maar dat weerhield hen er niet van uitgebreide lichamelijke onderzoeken te doen.’

U beschrijft de zaak van de geadopteerde Hanns Schwarz, die uit de handen van de nazi’s wist te blijven door te stellen dat zijn werkelijke vader een Ariër was.

‘Het is een van de weinige momenten in de geschiedenis dat zwakkere groepen in de samenleving de vaderschapstesten konden inzetten om hun positie te versterken. Soms werden Joden zelfs tijdelijk vrijgelaten uit een concentratiekamp in afwachting van een vaderschapsonderzoek. Het moet zwaar en misschien ook beschamend zijn geweest voor Joodse families, er werd na de oorlog weinig gepraat over deze vaderschapstesten als laatste redmiddel.’

Met de komst van de dna-test, eind jaren tachtig, kon het vaderschap eindelijk onomstotelijk worden vastgesteld. Sindsdien kennen we een explosie van dna-testen. Maar is daarmee alle onzekerheid en spanning verdwenen?

‘Helemaal niet. Toen dna werd ontdekt, dacht iedereen: nu wordt het probleem eens en voor altijd opgelost, aan de geschiedenis van verraad en overspel komt nu een einde. Sciencefiction-schrijvers voorspelden het einde van het huwelijk, omdat er niet langer een noodzaak was om monogaam te zijn. Man-vrouwverhoudingen zouden drastisch veranderen. Maar dat is allemaal niet gebeurd. Wel brengt de dna-test nieuwe onzekerheden met zich mee. Neem Brazilië, waar dna-bussen de sloppenwijken inrijden. In die bussen worden vaderschapstesten afgenomen, zodat de Braziliaanse overheid weet op wie zij de kosten van kinderen moet verhalen. De vraag is of moeders zich wel economisch willen verbinden met de biologische vaders. Vaderschapstesten worden opnieuw ingezet om sommige groepen uit te sluiten. Neem de verplichte dna-testen voor migranten die zich willen herenigen met hun familieleden.’

‘De vraag is ook nog steeds: wie of wat is de vader? De man die het kind heeft verwekt, of de man die de kinderen heeft opgevoed? Het Amerikaanse hooggerechtshof oordeelde bijvoorbeeld het laatste. En dan roept reproductieve geneeskunde weer een hele set aan nieuwe vragen op: niemand ziet bijvoorbeeld de spermadonor als ‘de vader’. Het bevestigt dat vaderschap nog steeds veelal een sociale constructie is, dna-testen doen daar niets aan af.’

Nara Milanich

Nara Milanich (1972) is hoog­leraar geschiedenis aan het ­Barnard College, onderdeel van ­Columbia University, New York.

Ze is gespecialiseerd in Latijns-Amerika, en richt zich in haar onderzoek op gender, jeugd en klasse.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden