ColumnMarcia Luyten

Wie agressors niet afschrikt, zal geen vrede kennen

Marcia Luyten artikel ColumnBeeld .

Zo eens per week gaat het aan de keukentafel over de vraag of mijn zoon zich in elkaar mag laten slaan. Het maakt me misselijk, het beeld van mijn kind dat in zijn gezicht wordt geschopt, maar dat hou ik voor mezelf. Mijn sterkste argument, denk ik, is dat hij wel gek zou zijn om hersencellen te laten wegtikken. ‘De jongens tegenover je willen geen natuurkunde studeren.’

Het lastige aan de discussie is dat wij hem jaren geleden naar een kickboksclub hebben gebracht. Je moet je leren verdedigen, zeiden we. En dan vertelden we over de neef die in een steeg in Amsterdam was doodgeschopt. Dat de zoon talent voor vechten zou hebben, was niet ingecalculeerd.

Geweld vervult mij met afkeer en ongemak en daarin sta ik niet alleen. Ik zie het ook bij de Staat. De enige die in onze naam geweld mag gebruiken doet dat niet altijd overtuigend. Heel soms is het te grof, vaker weifelachtig, in beide gevallen onkundig. Daarbij komt dat bezuinigingen de slagkracht van leger en politie hebben aangetast.

Nadat de internationale drugshandel in Nederland een goed onderkomen vond − ons land biedt volgens maffiakenner Roberto Saviano de ‘fiscale schaduw’ waarin criminelen floreren − volgt op de drugscriminaliteit geweld zoals donder volgt op bliksem. Een advocaat is neergeschoten, burgemeesters worden bedreigd en duiken onder. Het ontbreekt aan beveiligers voor officieren en rechters; op zulk geweld is Nederland niet berekend.

‘Tuig een anti-maffia-eenheid op’, adviseerde Saviano. De Amsterdamse politie heft zijn zware misdaadteam op: te weinig agenten. Dan is er een Landelijke Eenheid, die georganiseerde misdaad op nationaal niveau hoort te bestrijden, maar die zo druk is met interne conflicten dat bestrijding van zware criminaliteit erbij inschiet, meldde NRC handelsblad.

Op een oorlogsverklaring van de narcomaffia was de Staat niet berekend, zoals de Staat vaker is overvallen door geweld. Het meest voor de hand liggende voorbeeld moet genoemd: zevenduizend jongens en mannen onder onze hoede, afgeslacht in Srebrenica. De krijgstaal van de Nederlandse commandant Karremans, hoofd gebogen, tegenover Mladic: ‘I always say: I’m the pianoplayer. Don’t shoot the pianoplayer.’ De beelden zijn zo pijnlijk omdat daar een bange man staat. Als híj niet kan vechten, wie dan wel?

De afkeer van geweld toont zich ook in de laissez-passer voor boeren en bouwers. Laat maar gaan, anders escaleert het, was de gedachte. Niet: we zetten volgens de wet van escalatiedominantie proportioneel materieel in waarmee we ze de baas zijn. En dus negeerden boeren alle verboden. Reden met 5.000 tractoren over snelwegen naar Den Haag, blokkeerden opritten, braken door afzettingen, legden de binnenstad plat en staken vuurwerk af.

Er waren wat legertrucks over de weg gezet, een waterkanon stond paraat, de boeren lachten en reden door. De hunne was groter. Eerder hadden ze het Gronings provinciehuis geramd, een politiepaard aangereden, hekken overwalst. Dat geweld had Den Haag kunnen waarschuwen. Maar de Staat was niet bij machte de wet te handhaven.

Dat falen wordt opmerkelijker door de flinkheid tegenover klimaatactivisten. Voor het Rijksmuseum haalde de politie 900 demonstranten van Extinction Rebellion weg en sloot een deel van hen op in de voormalige Bijlmerbajes. Honderden Greenpeace-activisten werden door de marechaussee van Schiphol afgevoerd. Allemaal hadden ze op de grond gezeten, geweldloos.

De boodschap van deze overheid: wie bereid is geweld te gebruiken, kan doen wat hij wil. Daarmee oefent de staat zijn geweldsmonopolie onvoldoende uit. In plaats daarvan komt de wet van de jungle: de heerschappij van de sterkste.

Terugkijkend naar basale afspraken ten grondslag aan onze samenleving, moeten we willen leren van een Staat die goed kon vechten. Bij de Romeinen gold: Si vis pacem, para bellum, als je vrede wil, bereid je voor op oorlog. Omgekeerd: Wie agressors niet afschrikt, zal geen vrede kennen.

Intussen wordt teerhartigheid ook in de boksschool bestraft. Puber traint nu in de school van Badr. Het liefst ging hij de ring in voor wedstrijden – als zijn moeder hem liet gaan. Aan tafel likt hij zijn wonden, paarse vlekken, een gehavende knie. ‘Mam. Ik denk dat ik last heb van hoe ik ben opgevoed… Ik heb er toch moeite mee iemand heel hard op zijn hoofd te slaan. Daardoor krijg ik te veel klappen.’

Marcia Luyten is journalist en schrijver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden