Opinie Arbeidsethos

Werk, we willen écht niet zonder (al denkt u soms van wel)

U heeft misschien ook geen zin om na de vakantie weer te gaan werken, maar werk roept weinig rebellie op, constateert Sander van Walsum. Sterker nog: we houden ervan.

Beeld Seb Agresti

Wie begin jaren tachtig de arbeidsmarkt betrad als historicus of agoog, maakte zich meer zorgen om het lot van de wereld dan om de eigen perspectieven op de arbeidsmarkt. De Bom kon tenslotte elk moment vallen, en werk was er toch niet. Dus wat deed je onder die omstandigheden? Je telde, tot onbegrip van ouders die nog gebukt gingen onder een ouderwets arbeidsethos, opgewekt je zegeningen. Geen enkele werkgever zat op jou te wachten, dus waarom zou je jagen op die virtuele baan?

Je hield jezelf voor dat de door Keynes voorziene toestand was ingetreden waarin mensen nog maar vijftien uur per week hoefden te werken – om zich verder aan hun creatieve ontwikkeling te kunnen wijden. Je keek meewarig naar je werkende buurman die dat nog niet in de gaten had, en die je elke namiddag bleek en aangeslagen thuis zag komen – als een reptiel uit het industriële tijdvak. Je deinde mee op het ritme van de seizoenen en je prees jezelf er gelukkig mee dat jij tot de generatie behoorde die als eerste de geneugten van het arbeidsloos inkomen zou mogen ondergaan. Sterker: dat arbeidsloos inkomen wás er in feite al. Niet onder die naam maar als RWW-uitkering waarvoor iedere afgestudeerde academicus – ongeacht zijn of haar arbeidsverleden – in aanmerking kwam. Met je lotgenoten sprak je over van alles en nog wat, maar niet over werk. Want werk was toch een beetje voor de dommen. En dom waren wij niet.

Opgeslokt door de arbeidsmarkt

Maar gaandeweg onttrokken die lotgenoten zich aan de stilzwijgende afspraak dat het altijd zo zou blijven. Ze regelden een stageplek of ze solliciteerden naar een heuse baan. Daar deden ze een beetje lacherig over. Alsof ze het zelf ook niet helemaal serieus namen. Maar opeens waren ze verdwenen. Opgeslokt door de arbeidsmarkt, die toch bleek te kunnen bijten. De achterblijvers hielden zichzelf en elkaar nog een tijdje voor dat zij het zover niet zouden laten komen, maar uiteindelijk bleek de vrijheid binnen de grenzen van de RWW toch minder verlokkend dan gedacht, en bleken werk en levensgeluk wel degelijk verenigbaar. Iedereen had een jaar na zijn afstuderen dus toch die ooit verguisde baan. Op een of twee uitzonderingen na: mensen die al snel door niemand meer werden benijd.

Zo gaan die dingen. Het leven zonder betaalde arbeid is tot nader order uitgesteld. Volgens de antropoloog David Graeber, auteur van de bestseller Bullshitjobs, kreeg ‘de gevestigde orde’ het dermate op haar heupen van de rebellie in de jaren zestig en zeventig tegen de puriteinse arbeidsmoraal, dat ze banen is gaan creëren. Banen die geen productief doel dienen. Banen die niet gemist worden als ze zouden verdwijnen. Banen die geen enkele arbeidsvreugde of arbeidstrots oproepen. Bullshitbanen dus. Werk is verworden tot doel op zichzelf. En met de creatie van dit soort banen – lijkend op die waarmee de vroegere volksrepublieken de belofte van volledige werkgelegenheid inlosten – verloochent het kapitalisme zichzelf.

Mogelijk is er wat af te dingen op Graebers parmantige stelling dat 40 procent van de Nederlandse werknemers een baan ‘zonder een deugdelijke bestaansreden’ heeft. Maar het feit dat zijn boek, ook in Nederland, zo goed verkoopt, wekt toch de indruk dat velen zich herkennen in de suggestie dat werk vaak een bron van existentiële droefenis is. Het feit dat veel Nederlanders in de nacht van zondag op maandag hun lange zomervakantie woelend zullen afsluiten in een steeds klammer wordend bed, hangt daar ongetwijfeld mee samen. Werk markeert de breuk met het dolce far niente van de achterliggende weken. Al kunnen we daar, volgens de gangbare opvatting, alleen van genieten als we ook werken. Vakantie is er bij de gratie van werk. En omgekeerd.

Met werken verzoend

Hoeveel onaangenaamheden werk ook met zich kan meebrengen, het roept weinig rebellie op. Er zijn wel mensen de straat opgegaan om te betogen voor méér werk maar – voor zover bekend – nooit voor de vernietiging van banen. Ook niet van bullshitbanen. De mens heeft zich met zijn werk verzoend en is er zelfs van gaan houden. In Nederland, dat in vergelijking met omringende landen een ontspannen houding aanneemt tegenover het belang van werk, is volgens het CBS nochtans 63 procent van de bevolking behept met ‘een sterk arbeidsethos’. 70 procent van de volwassen Nederlanders onderschrijft de opvatting dat werk een maatschappelijke plicht is.

Zo vanzelfsprekend is dat niet, want werk – zeker werk dat fysieke inspanningen vereiste – is eeuwenlang een noodzakelijk kwaad geweest, dat zoveel mogelijk werd gedelegeerd aan slaven, dagloners en seizoenarbeiders. Handen zonder eelt en een lelieblanke huid, die niet werd blootgesteld aan de zon of aan de schroeiende gloed van de smidse, waren het waarmerk van de elite. Kloosterlingen werden, naarmate zij stegen in de hiërarchie, meer vrijgesteld van fysieke arbeid om God te kunnen dienen. Hoe dichter je bij God stond, hoe minder je hoefde te werken. Want werk was het gevolg van de zondeval. Van de verdrijving uit de Hof van Eden. Iets van die tegenstelling tussen werk en het verloren paradijs klinkt nog door in het Zwitserleven-gevoel en in reclames over de prachtige vergezichten die zich openbaren voor winnaars van de mega-Jackpot.

Pas onder invloed van het protestantisme kreeg werk een zekere eerbaarheid. Voor Luther was werk een boetedoening van de zondige mens (die zich met vlijt overigens niet kon ontdoen van de erfzonde). Voor Calvijn was werk, zoals de Duitse socioloog Max Weber het uitdrukte, een vorm van ‘seculiere ascese’: een manier om God eer te bewijzen. Mensen gingen dus harder werken dan nodig was om in hun onderhoud te voorzien. En ze gingen geld lenen om in groeiende bedrijvigheid te kunnen investeren, volgens journalist Cees van Lotringen – auteur van het net verschenen boek Tot hier en nu verder – een belangrijke verklaring voor het feit ‘dat Nederland al 400 jaar een van de meest succesvolle landen ter wereld is’.

Beeld Seb Agresti

Schaarse vrije tijd

Aan vakantie deden de meeste werkenden niet. Vooral omdat de scheiding tussen werk en vrije tijd ontbrak. En dat hing weer samen met het feit dat de meeste mensen werkten op de plaats waar zij leefden: op het eigen erf of in de eigen woning. Pas tijdens de industriële revolutie werd een fysieke scheiding tussen beide aangebracht, en was ‘vrije tijd’ het schaarse restproduct van een arbeidzaam leven.

De scheiding tussen werk en vrije tijd ‘werd gesymboliseerd door de grauwe fabrieksmuur waarachter de wereld van de arbeid zich opent’, schreef de ethicus Luc Van Liedekerke in zijn essay Arbeid, vrije tijd en arbeidsethos. ‘De splitsing in tijd en ruimte gaan hier hand in hand.’ Die ontwikkeling ging gepaard met een sterke toename van de arbeidsduur. ‘Van de meer dan honderd religieuze feestdagen die het laatmiddeleeuwse Frankrijk kende, waren na de revolutie nog amper vier over.’ In 1913 besloeg ‘de gemiddelde werktijd van loontrekkenden 62 uur per week’. Hiertegen kwam het proletariaat weliswaar in opstand, maar het verzet betrof vooral de arbeidsduur en de arbeidsomstandigheden. Niet de manier waarop de arbeid – fabrieksmatig – was georganiseerd. Sterker: in socialistische landen werd het werk in fabrieken met rokende schoorstenen verheerlijkt. Ook het werk op het platteland werd industrieel georganiseerd.

Sociale contacten

De fabriek, als beeldmerk van de industriële revolutie, behoort inmiddels weliswaar tot de wereld van gisteren, maar de scheiding in tijd en ruimte tussen werk en vrije tijd is nog onverminderd van kracht. Mogelijkheden om thuis te werken, die technisch ruim voor handen zijn, blijven veelal onbenut. Werkgevers willen er niet aan uit beduchtheid voor afnemende productiviteit (en wellicht ook omdat ze graag koppen tellen op de werkvloer). 

En de werknemers zelf staan ook niet te trappelen – het file- en forensenleed ten spijt. Ze vertrouwen zichzelf niet toe dat ze, buiten het blikveld van hun broodheer, doen wat van hen wordt verwacht. Ze denken thuis het contact met collega’s, hun lotgenoten, te missen. En ze vinden het prettig om aan het einde van de werkdag een deur achter zich te kunnen dichttrekken. Ook zzp’ers die op alle plekken kunnen werken waar hun laptop bereik heeft, delen kantoorruimtes of installeren zich in een koffiehuis – niet altijd tot genoegen van de uitbater. Werk voorziet in de menselijke behoefte aan sociale contacten.

Maar mensen zijn bovenal intrinsiek aan werk gehecht geraakt, zeker in de geïndustrialiseerde wereld. Dat de 15-urige werkweek die Keynes voorspelde er niet gekomen is, hangt samen met toegenomen materiële behoeften en met het feit dat de wereldeconomie geen westers onderonsje meer is. Maar ze is er bovenal niet gekomen omdat werk ons daarvoor te lief is. Soms haten we werk, maar daarin weten we ons juist verbonden met collega’s. Werk voorziet in de behoefte aan meetbare resultaten, hoe betrekkelijk hun waarde soms ook is. Als de nachtploeg in de fabriek haar arbeidsvreugde niet ontleent aan het werk zelf, gaat ze wel een leuke competitie aan met de dagploeg. Werk verschaft een ritme aan het leven, zoals vroeger de seizoenen en al die kerkelijke feestdagen dat deden. En werk creëert een verlangen naar de tijd die aanbreekt als we klaar zijn met werken: het vrije weekend, de vakantie, het pensioen. De geneugten daarvan vallen in de praktijk overigens vaak tegen, omdat het verlangen meer glans heeft dan de situatie waarnaar het verlangen uitgaat.

Werk is het stockholmsyndroom van de westerse wereld, het verschijnsel dat een gegijzelde sympathie krijgt voor een gijzelnemer. Na een worsteling van eeuwen met deze veeleisende indringer, zijn we van hem gaan houden. Werk is zolang alomtegenwoordig geweest, dat we het ons nauwelijks meer kunnen voorstellen hoe het is om niet te werken. Komende maandag zullen honderdduizenden Nederlanders weer met een bijna rituele tegenzin aan het werk gaan, maar dinsdag hebben zij zich er alweer mee verzoend. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.