columnmax pam

Welk woord van Wim Kok blijft haken in je hoofd?

‘Zoals het nu is’, schreef Gerrit Komrij, ‘blijft niet één woord – en dus ook niet één idee – in je hoofd haken zodra je de naam Wim Kok hoort’. Dat is andere taal dan die ik deze week las in de ­necrologie van Het Parool: ‘Wim Kok, de reus die vlijmscherp bleef tot de laatste dag. Praten ging de laatste dagen niet meer, maar zijn ogen zeiden alles.’

Het is vrij normaal dat een ­minister-president na zijn dood heilig wordt verklaard. Zelfs op de voorpagina van De Telegraaf werd Kok tot staatsman verheven, terwijl er waarschijnlijk geen Nederlandse premier is geweest waar De Telegraaf zo tegen tekeer is gegaan. Vooral het zogenaamde ‘kwartje van Kok’ moest het ontgelden, de accijns op benzine en diesel die door Kok werden ingevoerd toen hij minister van Financiën was onder Lubbers.

Tot op de dag van vandaag weet ik niet of beloofd was dat automobilisten dat kwartje terug zouden krijgen, of dat via allerlei ondoorgrondelijke constructies dat kwartje is teruggegeven zonder dat wij het wisten. Uit een recent proefschrift van de econoom ­Wimar Bolhuis – die vanaf 1986 de verkiezingsbeloften van negen kabinetten vergeleek – kwam naar ­voren dat het bedrijfsleven krijgt wat is beloofd, maar dat de beloften aan de gewone burger doorgaans worden doorgetrokken. Wim Kok was in één van die negen kabinetten minister en in twee ­ervan minister-president, dus ik heb zo mijn vermoedens.

Heeft Komrij gelijk dat geen ­enkel woord van Wim Kok is beklijfd, laat staan een idee? Wat ­onmiddellijk bij me opkomt als ik aan Kok denk, is het afleggen van de ideologische veren, zoals hij in 1995 verkondigde. Maar eigenlijk is het afstand doen van ideeën geen idee, maar meer een anti-idee. Om te checken of Wim Kok ooit iets pregnants heeft gezegd dat in je hoofd blijft haken, zocht ik op websites en in citatenboeken. De oogst was inderdaad niet overdonderend. Als je op Churchill zoekt, Shakespeare of Oscar Wilde, kun je dagenlang zoet zijn met aforismen, wisecracks en kwinkslagen. Dat zijn de kampioenen, maar ook Drees, Den Uyl en zelfs Lubbers hebben weleens iets gezegd dat je bijblijft.

Bij Kok vond ik met moeite drie, vier citaten. Hij zei: ‘Ik leg alle ­adviezen onder mijn hoofdkussen, tot ik rechtop zit’.

Mmm.

En: ‘Een moraal van ‘ikke en de rest kan stikke’ is de bijl aan de wortel van de verzorgingsstaat’. Jammer, want er zit tenminste één cliché in.

En: ‘Komen is een kunst. Weggaan ook’. Die is misschien nog de beste, hoewel ook niet iets om van achterover te vallen. En dan is er nog die uitspraak na de moord op Pim Fortuyn: ‘Nederland is een verdraagzaam land met respect voor elkaars mening. Die mag je bestrijden met woorden, niet met ­kogels’. Echt pregnant zou ik deze opmerking niet willen noemen, want dat zei zo’n beetje iedereen op dat moment.

Kun je politiek leider van een land zijn, zonder ooit iets te hebben beweerd dat de moeite van het onthouden waard is? Kennelijk wel. Misschien was Kok geen prater, maar een doener. Dat zou des te opmerkelijker zijn, want Kok wordt ook wel de vader en zelfs de uitvinder van het poldermodel genoemd. En het poldermodel, dat is toch vooral een verbale bezigheid: je colbertjasje over de stoel hangen en vergaderen maar, totdat iedereen zo is plat ­geluld en murw geslagen dat het compromis nog de enige mogelijkheid is om thuis te komen.

De vakbondsman Kok had iets verbetens. Ik zie hem nog lopen met een bordje om zijn nek, waarop stond: ‘Ik pik het niet’. Vier woorden die me dan toch zijn bijgebleven, zij het geen woorden die direct beantwoorden aan het verheffingsideaal, laat staan aan het idee dat de arbeider behoefte heeft aan een eigen krant, een eigen uitgeverij en een eigen operagebouw.

Als premier kreeg Kok steeds meer iets vaderlijks. Omdat hij niet ver van mij vandaan woonde, zag ik hem regelmatig met zijn grijze kuif door de straat fietsen. In de herfst waaiden de bladeren achter hem aan. Omdat ik wilde weten hoe een huis van een minister-president eruitziet, ben ik een keer naar Amsterdam-West gereden – naar die vreemde buurt die Overtoomse Veld heet, vijf minuten fietsen van de straat waar Mohammed B. woonde. Het huis van de premier was een ééngezinswoning uit de late jaren vijftig. Aan de achterkant gelegen aan een vaart en aan de voorkant aan een non-descript pleintje. Door de gesloten vitrage voor alle ramen eerder een kleine vesting dan een villaatje. Ik moest denken aan die huizen die je wel langs de spoorweg ziet staan en waar de wisselwachter woont met zijn gezin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden