Opinie Antisemitisme

Weggaan of blijven in Orbáns Hongarije?

Antisemitische gevoelens zijn, ook in Hongarije, nog steeds niet verdwenen.

Campagneposter met daarop George Soros en de tekst: ‘Laat Soros niet het laatst lachen’. Beeld AFP

Afgelopen week werd bekend dat de Open Society Foundation van de Hongaars-Amerikaanse, Joodse miljardair-filantroop George Soros Budapest gaat verlaten (Ten eerste, 16 mei). Overwogen wordt ook het hoofdkwartier van de door hem gefinancierde Central European University in Hongarije te sluiten.

In dezelfde week ging in de Hongaarse hoofdstad een opmerkelijk toneelstuk in première. Het stuk, getiteld Egy piaci nap (een dag op de markt) is de toneelversie van de gelijknamige roman van Pál Závada uit 2016. Naar aanleiding van de première van het toneelstuk gaf de schrijver een interview aan ’s lands enige onafhankelijke krant: Népszava Online. De kop boven het interview: ‘Ik kan en wíl hier niet weg.’

Toeval? Ook Závada – voor alle duidelijkheid zelf niet Joods maar telg uit een Slowaaks boerengezin uit het oostelijke deel van Hongarije – staat ondertussen op Orbáns zwarte lijst. De prijswinnende schrijver heeft verschillende romans op zijn naam staan, waaronder de in het Nederlands vertaalde Jadviga’s kussen. Zijn roman Egy piaci nap baseerde hij losjes op een tragisch, niet op zichzelf staand voorval in Kunmadaras, een klein plattelandsgehucht in het straatarme, oostelijke deel van Hongarije, waar antisemitische gevoelens binnen de lokale gemeenschap ontaardden in massahysterie en lynchpraktijken waarbij drie Joodse mannen door de woedende menigte werden doodgeslagen.

We schrijven het jaar 1946. De communisten zijn bezig in Hongarije hun macht te vergroten. De uit de kampen teruggekeerde Joden kunnen op weinig sympathie rekenen. Hun aanwezigheid confronteert de bevolking met haar aandeel in de atrociteiten, sommigen vrezen voor teruggave van huizen en goederen. Vaak bewust aangewakkerd door de communisten ontbranden op verschillende plekken onlusten die uitmonden in regelrechte pogroms. Joodse overlevenden worden beschuldigd van het opdrijven van prijzen en zelfs van het ontvoeren en vermoorden van christelijke kinderen.

Momenteel draait de Hongaarse film Homecoming (1945) in de Nederlandse bioscopen, gebaseerd op een short story van een andere Hongaarse schrijver, Gábor T. Szántó. Het verhaal speelt zich eveneens af in een klein Hongaars gehucht in de nasleep van WO II. De vreugde over de bevrijding door de Russen wordt niet door iedereen gedeeld. Twee Joodse overlevenden van de Holocaust komen thuis. Vader en zoon, gekleed in het zwart, lopen zwijgend achter een paardenkar met twee houten kistjes erop. De dorpsbewoners kijken met argusogen naar de twee. Langzaam maar zeker komen allerlei sentimenten naar boven drijven: schuld, schaamte, argwaan en agressie. Wat komen die Joden hier doen? Hun bezittingen terugeisen? De kistjes blijken bezittingen van familieleden te bevatten die de holocaust niet hebben overleefd. Een kinderschoentje, wat andere spulletjes, veel is het niet. Hun doden hebben ze niet kunnen begraven. Het onheilspellende verhaal loopt uiteindelijk vooral voor de dorpelingen slecht af.

Hoe anders is de werkelijkheid. Werd Soros na de val van het communisme in zijn vaderland als verloren zoon met open armen ontvangen, is hij ondertussen uitgegroeid tot persona non grata. Zijn denkbeelden van een open, democratische samenleving, waarin persvrijheid en een humanitaire houding tegenover vluchtelingen de boventoon voeren, vormen volgens Orbán cum suis namelijk een bedreiging voor de Hongaarse identiteit en staatsveiligheid.

Een jaar geleden landde ik op Ferihegy, het vliegveld van Budapest. De shuttle reed over de uitvalsweg vanaf het vliegveld naar het busstation, waar ik moest overstappen. Onderweg werd ik geconfronteerd met tientallen billboards met Soros’ hoofd en opruiende, naar antisemitisme riekende teksten. Het was een klein jaar vóór de dramatisch verlopen verkiezingen van afgelopen april.

Niet veel later arriveerde ik bij de Israëlitische begraafplaats aan de rand van Pest. Mijn Joodse oudtante, overlevende van Auschwitz, werd er begraven. Het was een mooie, zonnige lentedag en ik was te vroeg. Ik slenterde wat over de uitgestrekte begraafplaats, waar ik nog nooit eerder was geweest. En wederom verkeerde ik in een shock. Al die doden, al die rijen vervallen graven. Wat een bloeiende gemeenschap moet hier ooit bestaan hebben. Joden maakten voor WO II 20 procent uit van de bevolking van Budapest. En nu is er niemand meer. Tante Rozi’s begrafenis was de enige op die dag.

Nadat wij mijn oudtante, in aanwezigheid van haar neef en diens kinderen en kleinkinderen, ter aarde hadden besteld, liepen wij terug over het lommerrijke pad. De neef bleef staan om het graf van zijn ouders en grootouders van moederskant aan te wijzen. Zij hadden, wonderlijk genoeg, alle vier de Holocaust overleefd. Kati, de moeder van die neef en vrouw van mijn oudoom Miki, was overlevende van Bergen-Belsen. Zij was, op een mooie lentedag in mei 1946, met de trein onderweg naar de bruiloft van tante Rozi toen zij het bericht hoorde dat haar vader was overleden. Hij was één van de drie slachtoffers van de lynchpraktijken die op die bewuste dag op de markt in Kunmadaras hadden plaatsgevonden.

Antisemitisme is, ook in Hongarije, van alle tijden. Gelukkig is er ook een tegengeluid.

Erzsó Alföldy is journalist. Zij is geboren in Hongarije en woont sinds haar 13de in Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.