Weg met monotheisme

Monotheïsme is ‘de moeder van bijna alle superioriteitsideologieën’. En waaraan ontlenen de zich superieur wanende religies hun kracht? Aan het permanente schuldgevoel dat de gelovigen wordt opgedrongen.

Soms overtreft de werkelijkheid de stoutste verbeelding. Onlangs verwees Arnon Grunberg in zijn Voetnoot zonder een spoor van ironie naar schrijver Marc de Kesel, die betoogd had dat ‘de kern van het monotheïstisch project het ontmaskeren van afgoden is, dat monotheïsme in wezen godsdienstkritiek is’. Dat klinkt diepzinnig, maar is een zouteloze tautologie, die slechts dient om de kwalijke aard van het monotheïsme te versluieren.
De Kesels stelling is een tautologie omdat afgoden alleen kunnen bestaan bij de gratie van een superieure god. Afgoden zijn altijd goden van een ander, bezien door de ogen van mensen die hun eigen god niet alleen als de beste, maar als de enige echte beschouwen. Omgekeerd bestaat er per definitie geen afgoderij voor mensen die zonder god zijn of die ieder zijn eigen goden gunnen. We hebben dat doorgaans niet in de gaten, om dezelfde reden als ook een zelfverklaarde goddeloze als Grunberg in de vrome praatjes van De Kesel trapt: onze West-Europese cultuur is zo doordrenkt van monotheïsme dat het idee van geen god, of juist twee of zes, ons vreemd is en bedreigend voorkomt. Ook in verlichte kringen, denk maar aan de niet-aflatende ophef die ontstond toen Ronald Plasterk minister werd: een openlijke atheïst als minister, dat was me toch wat!
Monotheïsme is alleen godsdienstkritiek als we daaronder het minachten van andermans geloof verstaan. Maar in de kern is monotheïsme de moeder van bijna alle superioriteitsideologieën. Zij die ervan overtuigd zijn de enige waarachtige god aan te hangen, stellen zich onvermijdelijk boven elke andersdenkende medemens. Zij vormen het uitverkoren volk, de ware gelovigen, de beschaafden met een white man’s burden. Die status machtigt hen tot missioneren, maltraiteren en moorden zoals het uitkomt. Hun vanzelfsprekende morele meerwaarde geeft ze jegens andersdenkenden recht op materiële en seksuele voorrechten. Geen vrome redenering, geen beroep op een of ander heilig boek die daar iets aan verandert, zolang je een ander zijn eigen god niet gunt op voet van gelijkwaardigheid.
Wezenskenmerk van monotheïsme is ook de drang om de eigen normen en waarden buiten de eigen geloofsgemeenschap dwingend op te leggen. Daarin verschillen Israëlische orthodoxe joden die het openbare leven op de sabbat proberen lam te leggen, niet van de zeloten die van Nigeria tot Indonesië de sharia willen vestigen. En ook niet van de christelijke missionarissen en zendelingen die zonodig met harde hand ‘wilden’ aan een bijbel, zedige kledij en een exploitabel arbeidsethos hielpen of ook nu nog Afrikanen van de condooms afhouden.
Even wezenlijk is het ten koste van de vrijheid van andersdenkenden opeisen van een bevoorrechte positie voor het eigen gedachtegoed. Kritiek van buitenstaanders wordt even weinig geaccepteerd als het in twijfel trekken van geloofsartikelen. Men acht zich onmiddellijk gekwetst en beledigd, onder aanroeping van de bijzondere heiligheid en de diep gevoelde betekenis van een en ander. Dreigementen met het kromzwaard of dat van vrouwe Justitia dan wel – in Nederland – de Commissie Gelijke Behandeling, zijn niet van de lucht.
Andersdenkenden gaan daarin maar al te gemakkelijk mee. Ten onrechte, want uit het enkele feit dat iemand iets na aan het hart ligt, volgt niets. Er zijn bosjes mensen die voor hun schoothondje door het vuur gaan. Zo’n dier is voor zijn bezitter letterlijk heilig. Maar daarom vertegenwoordigen die mormels nog geen hogere waarde of hebben ze recht op bijzondere bescherming, laat staan dat we hun eigenaren niet hartelijk zouden mogen uitlachen.
Hoe dominant monotheïsme ook lijkt, toch is het uitzonderlijk. Echte godsdienstoorlogen bestonden niet in de klassieke oudheid, net zo min als de Afrikanen en de oorspronkelijke bewoners van Amerika zich noemenswaard met elkaars geloof bemoeid lijken te hebben. Slechts af en toe deed een machthebber of elite dat wel, soms uit pure gekte, vaker om een of andere vorm van zuivering of terreur te rechtvaardigen.
Op die regel zijn maar drie uitzonderingen: het jodendom, het christendom en de islam, alle gekenmerkt door ongeremde agressie en langdurig succes. In oudtestamentische tijden verwierven de twaalf stammen zich op de kracht van hun geloof niet alleen een land, maar ontwikkelden zich ook tot regionale macht. Pas toen het land door voortgaande politieke schaalvergroting de concurrentiestrijd met steeds machtiger buren verloor, ontstond het in zichzelf gekeerde, niet-missionaire jodendom dat wij kennen – alleen in Israëls orthodoxe wijken en in bezet Palestijns gebiedtoont het nog met ouderwets fanatisme zijn tanden.
Het christendom en de islam hebben zich nooit onbetuigd gelaten als het op veroveren, plunderen en exploiteren aankwam. Dat de vroege islam in luttele jaren een wereldrijk uit de grond stampte is niet zo bijzonder, zoiets is van Alexander de Grote tot Adolf Hitler wel vaker vertoond. Wel bijzonder is dat men dat rijk wist te consolideren en tot bloei te brengen, zodat het vele eeuwen bleef bestaan. Het christendom begon in een kalmer tempo en bereikte de toppen van zijn macht later, maar onderscheidt zich doordat het de basis legdevoor grote technische en wetenschappelijke vooruitgang.
Dat deze drie exponenten van zo’n blijkbaar onaantrekkelijke vorm van religie zulke exceptionele successen boekten en een ongeëvenaard uithoudingsvermogen bezitten, komt doordathun dwingende karakter niet wortelt in het gebruikelijke brute geweld. Het instrument waarmee de grote monotheïstische godsdiensten hun kudde disciplineren en bijeenhouden, is schuldgevoel, de exploitatie van het menselijk tekort. Alle drie hebben ze als kernwaarde een stelsel van taboes en rituelen dat flink botst met basale menselijke gevoelens en verlangens. Bizarre spijswetten, vijf keer per dag alles neerleggen om te bidden, langdurig vasten, het onderhouden van absolute zondagsrust, allerlei vereisten inzake seksuele onthouding, het is menselijkerwijze ondoenlijk om altijd aan dat alles te voldoen. Het gevolg is dat iedere oprechte gelovige wel in een of ander opzicht tekortschiet en in gedurige frustratie met zichzelf leeft.
De prijs van zo’n op onvermijdelijke zondigheid gegrondvest stelsel is hoog. Stiekemheid en schaamte zijn onafscheidelijke metgezellen van de gelovige. Ieder kent wel feilen van anderen en vreest het omgekeerde. De schijn van onbevlektheid moet daarom koste wat kost worden opgehouden. Dat is een perfecte voedingsbodem voor het soort dubbele moraal dat even gemakkelijk de mensonwaardige positie van islamitische vrouwen en de hele eerwraakellende rechtvaardigt, als de sociale uitsluiting van afvalligen in protestantse gemeenten en he gefoezel in katholieke internaten.
Triest genoeg houdt het superioriteitsdenken niet stil bij de deur van het godshuis. Onderling minachten monotheïsten elkaar al even fanatiek: sjiieten tegen soennieten, katholieken tegen protestanten, protestanten tegen andere protestanten
Zolang het monotheïsme norm blijft, kan er niets veranderen. Maar alternatieven als het rigide, elk geloof veroordelende atheïsme van Richard Dawkins bieden ook geen soelaas, daarvoor zijn hij en zijn gedachten zelf te veel het product van een monotheïstische denkcultuur. Alleen door in te zien dat juist het aan monotheïsme inherente superioriteitsdenken de bron is van onmetelijk veel ellende, kunnen we de wereld tot een prettiger oord maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden