Opinie

'Wees er trots op Marokkaan te zijn'

Wij, Nederlanders en Marokkanen, zijn gierend uit de bocht gevlogen in ons grote streven naar integratie. Met het 'Marokkanendebat' van donderdag als triest dieptepunt, betoogt Laila Ezzeroili.

Kinderen bij een voorschoolse opvang in Utrecht.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Mijn jongste dochter zit op een voorschool in een Amsterdamse probleemwijk. Ik vermijd het loze 'krachtwijk'. Amsterdam Zuid, dat is een krachtwijk. Amsterdam Nieuw West is krachteloos. Niet door een gebrek aan integratie, maar door een teveel aan betuttelende instituties die de bewoners inprenten dat ze 'onaf' zijn en nog veel moeten leren om volwaardig burger te kunnen zijn.

De voorschool is speciaal in het leven geroepen voor dit soort inprenting. Inprenting van de Nederlandse taal, maar ook de Nederlandse opvoeding en cultuur worden hier, met zachtmoedig dwingen en verbieden, overgedragen. Handjes schudden, de juf aankijken - mijn 3-jarige heeft me meermalen bij de kin gepakt en een streng 'Kijk me aan!' gereproduceerd - verjaardagen en het Sinterklaasfeest worden hier met een opmerkelijk fanatisme voorgeleefd.

Ach, dacht ik, niet zeuren, het is gratis opvang en van een beetje paternalisme is nog nooit iemand doodgegaan. Ik wist ook heus wel dat een voorschool uitgaat van achterstanden en verheffing als haar opdracht beschouwt. Ik zag dus geen probleem: lieve juffen en kinderen, mijn dochter had het naar haar zin en sprak inmiddels een aardig woordje Turks. Dat is alvast winst, groeit ze straks misschien alsnog tweetalig op.

Flink ongemakkelijk
Ik begon me voor het eerst flink ongemakkelijk te voelen toen ik bij het ophalen zag hoe een Marokkaans meisje over de drempel van de voorschool naar buiten stapte, waar haar moeder klaarstond met een hoofddoekje. Ze stond precies tussen haar juf, die in de deuropening stond, en haar moeder in. Terwijl ze dag zwaaide naar de juf deed de moeder haar het hoofddoekje om. In de klas mag ze de hoofddoek niet dragen van de school, maar eenmaal buiten is moeder weer aan zet.

Ik heb zo mijn ideeën over kinderen en hoofddoeken, maar nu was ik in verwarring. Wat me vooral trof was de clash van twee opvoeders en cultuurdragers, over het hoofd van het meisje heen. Wat betekent dit voor haar identiteitsvorming?

Niet veel goeds, vermoed ik. Het gaat hier namelijk niet om twee gelijkwaardige partijen die verschillend denken over vorming. Er is een dominante regelgever: de school en er is een dissident: je moeder. De boodschap die het meisje ingeprent krijgt is dat een hoofddoekje verboden is, een overtreding van de regels, fout, stout! Het meisje zal die boodschap ongetwijfeld internaliseren. Althans, ze zal de afwijzing van een deel van zichzelf herkennen door de dominante Nederlandse cultuur.

Vermoedelijk zal ze eerst nog lang proberen die goedbedoelende opvoeders met elkaar te verzoenen. Dan noem je jezelf Marokkaanse Nederlander, doet je best voor ouders en moederland en hoopt op het beste. Maar het onbehagen blijft bij je.

Dubbele loyaliteiten
Ik erger me. Steeds meer. Aan de Nederlanders. En aan de Marokkanen. Inderdaad, aan de Marokkanen. Bezwerende benamingen als Nederlandse Marokkaan, Marokkaanse Nederlander of Nederlander van Marokkaanse afkomst hebben voor mij afgedaan. Ik ben Marokkaans heb ik besloten, helderheid moet er zijn. Geert Wilders heeft een punt: dubbele nationaliteiten zorgen voor dubbele loyaliteiten. Ik ben Marokkaan dus ben ik loyaal aan de Marokkanen. Al erger ik me ook. Niet aan de rotte appels. Nee, aan de dociele fatsoenlijken, mezelf incluis. Wij zijn degenen met het Marokkanenprobleem.

Mijn Marokkanenprobleem is een identiteitsprobleem. Mijn Marokkanenprobleem is dat wij Marokkanen, effectief gesouffleerd door Nederlandse instituties, onze etniciteit problematiseren en diskwalificeren. Onze defensieve houding, bewijsdrang en pogingen om zodra we kunnen zwarte scholen en wijken te ontvluchten, verraden ons. We nemen het de 'rotte appels' kwalijk dat ze het voor ons verpesten en willen niet met ze geassocieerd worden. Liever benadrukken we dat heel veel Marokkanen het juist hartstikke goed doen: zie ons, accepteer ons, houd van ons!

Ons zelfbewustzijn laat te wensen over, terwijl tweede en derde generatie Marokkanen grote sociale mobiliteit laten zien. Waarom voelt dat dan niet zo? Omdat we er voor een echt stevig zelfbewustzijn niet van overtuigd moeten zijn dat we het goed doen, maar dat we goed zijn. Maar in het onderwijs, de media, de politiek en zelfs de wetenschap wordt keer op keer het idee dat we niet goed zijn bekrachtigd. Natuurlijk geldt dit niet alleen voor Marokkanen, maar ons 'goed zijn' wordt relatief vaak openlijk betwijfeld. Het breed gesteunde Marokkanendebat is hier het ultieme voorbeeld van. Dat het Marokkanendebat er heeft kunnen komen, kan alleen omdat onze hoofden daar rijp voor gemaakt zijn.

Stereotypering
De stereotypering van 'de Marokkaan' gebeurde, zoals bij elk stereotype, door versimpeling, overdrijving en generalisatie. Een voorbeeld: journaliste Fleur Jurgens introduceert in haar boek Het Marokkanendrama (2007) de term 'Marokkaanse prinsjes'. Marokkaanse jongens zouden, anders dan hun zussen, thuis verwend worden. Die prinselijke houding nemen ze mee de straat op en de school in. Daar gedragen ze zich oppositioneel, crimineel en gewelddadig. Ondertussen voelen zij, de prinsjes, zich gediscrimineerd. Deze stereotypering van Marokkaanse jongens en mannen als verongelijkte prinsjes is sinds 2007 eindeloos herhaald. In december 2012 wordt in een opiniestuk van een voormalig peuterleidster in dagblad Trouw, naar aanleiding van de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen, wederom het stereotype van de Marokkaanse prinsjes als verklaring opgevoerd.

In maart 2013 verschijnen onderzoeksresultaten die dit stereotype vakkundig onderuit halen, want jonge Marokkaanse geweldplegers blijken zelf vaak als kind mishandeld te zijn door hun ouders. Ik schrijf 'vakkundig', want dit promotieonderzoek heeft kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk meer om het lijf dan de 'gesprekken' met mensen uit het veld van Jurgens. Ik hoop dus nooit meer over Marokkaanse prinsen te hoeven lezen, maar ik vrees dat het nu zal gaan over de falende, gewelddadige Marokkaanse ouders.

Ik ga niet beweren dat er een doelbewuste campagne zit achter de ontmenselijking van Marokkanen. We zijn samen verantwoordelijk. Samen, Nederlanders en Marokkanen, zijn we gierend uit de bocht gevlogen in ons grote integratiestreven. Mijn eigen aandeel: ik denk dat ons tegengeluid te zwak was. Niet in volume, maar in overtuigingskracht. We riepen wel dat Marokkanen heus wel deugen, maar liever dan te hameren op artikel 1 van de grondwet, probeerden we het stereotype ijverig te weerleggen of hoogmoedig te negeren. Ondertussen ging de stereotypering van Marokkanen door, niet gehinderd door enig georganiseerd verzet van betekenis.

Protest
Kenschetsend voor het gebrek aan zelfbewustzijn en actiebereidheid onder Marokkanen is het feit dat alleen voormalig GroenLinks-politicus Mohammed Rabbae en burgerrechtenactivist Abdou Menebhi, concreet protest hebben aangetekend tegen het Marokkanendebat. Leden van een generatie Marokkanen die maatschappelijk en politiek actief was, ver voor het 'multiculturele drama' het discours bepaalde. Toen was racisme nog verwerpelijk. Zij snappen, beter dan de twintigers, dertigers en veertigers van nu, dat opkomen voor je belangen en die van je achterban betekent dat je weerstand ontmoet. Discriminatie en racisme laten zich slecht bij de naam noemen. Daarom zijn morele moed en ja, ook protestacties en pressiemiddelen nodig.

Marokkanen hebben niet stilgezeten, maar geprobeerd verbinding te zoeken met Nederlanders, bruggen te bouwen en niet de slachtofferrol aan te nemen. Niet te polariseren, niet aan wij-zij-denken te doen en niet 'weg te kijken'. Dat zijn lastige opdrachten, zeker gezien het feit dat we het als Marokkanen de helft van de tijd ook niet met elkaar eens zijn over de onderwerpen waarmee we om de oren worden geslagen. Over de islam en homo-emancipatie, om maar eens twee kwesties te noemen, kunnen we met de beste wil van de wereld geen collectief standpunt innemen.

Waar we wel een krachtig, gezamenlijk standpunt over moeten innemen is dat er geen causaal verband bestaat tussen onze etniciteit en crimineel en overlastgevend gedrag. Er bestaat een statistisch verband, dat is iets heel anders. Aan de oplossing van dat vraagstuk leveren Marokkanen al waardevolle bijdragen. Ik ga ze hier niet noemen, zoek ze zelf op.

Onze etniciteit gaat over ons wezen, onze ik, ons mens-zijn. Niet omdat onze etniciteit ons definieert, maar omdat we onze etniciteit altijd in de ogen van de ander weerspiegeld zullen zien. We mogen niet toestaan dat onze kinderen een negatief beeld van Marokkanen, van moslims en uiteindelijk van het zelf, verinnerlijken. Wat we ook vinden van de Marokkaanse opvoeding, de islam, hoofddoeken en vrouwen- en homo-emancipatie.

De dag van het Marokkanendebat, luidt voor mij de eerste Marokkanen Pride in. Die dag vieren we onze Marokkaanse identiteit. Mijn kinderen gaan niet naar school en ik ben niet beschikbaar voor mijn vrijwilligerswerk. Ik wil een streep trekken bij racisme, het gesprek aangaan met de scholen van mijn kinderen, andere ouders, de vrijwilligersorganisatie en wellicht de leerplichtambtenaar. Maar bovenal wil ik mijn kinderen inprenten dat ze wel goed zijn als Marokkanen.

Laila Ezzeroili (1977) studeerde Europese Studies en is huismoeder

In een eerdere versie van dit artikel stond de naam van de auteur van het opiniestuk in Trouw genoemd. In deze versie is de naam geanonimiseerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden