Opinie Hemelse vrede

‘Weer op het Plein zei ik tegen mijn dochters: meiden, hier níet gek doen’

De opstand op het Tiananmenplein was ook voor een verslaggever een euforische tijd. Heel kort, betoogt Caroline Straathof, Volkskrant-correspondent in China van 1987 tot 2000.

Chinese studenten op een tank, op 4 juni in Beijing. De gewelddadigheden eisten hun tol: er vielen honderden doden. Beeld AP

4 juni is al dertig jaar lang geen gewone dag voor mij. In 1989 was ik als jonge correspondent voor de Volkskrant en het NOS Journaal zeven ­weken lang getuige en rapporteur van de door studenten geleide volksopstand in Beijing. Die beweging ­eindigde in de nacht van 3 op 4 juni in een bloedbad toen soldaten van het Volksbevrijdingsleger zich schietend een weg baanden door de stad en het door demonstranten bezette Plein van de Hemelse Vrede heroverden.

Inmiddels is mijn oudste dochter even oud als ik toentertijd en werkt ze nu, net als ik toen, in Beijing. Mijn ­andere dochter verblijft deze dagen ook in het land waar ze opgroeide, op zoek naar een baan. Ze weten van de historische gebeurtenissen van 1989. Hun Chinese leeftijdgenoten weten dat niet en voor hen gaat de 30ste herdenking van deze opstand in hun land ongemerkt voorbij.

Met het neerslaan van die opstand vervloog de hoop voor diegenen die hadden gedemonstreerd voor een transparant en democratisch China. Als zoethouder ging na 1989 het licht op groen voor koopkracht, consumptie en modernisering. Chinezen kregen economische vrijheid voor de prijs van politieke controle.

In 2000 ging ik bij een jong en hip Chinees internetbedrijf aan de slag. Al in mijn eerste week op kantoor zag ik hoe censuur werkte. Terwijl een collega mij liet zien hoe mensen – in deze vroege dagen van het ­internet – een eigen website konden bouwen, kreeg hij een telefoontje. De politie sommeerde hem een webpagina over de in China verboden sekte Falun Gong te verwijderen. Intern circuleerden zwarte lijsten voor politiek gevoelige woorden als ‘Liu-si’ (‘6-4’, naar de maand en dag van het legeroptreden), ‘Tiananmen’ (de poort op het Plein van de Hemelse Vrede), het zelfstandig opererende Taiwan en de ­onrustige provincies Tibet en Xinjiang. Het was het begin van een volstrekt eigen variant van het internet met strikte controle op informatie.

De jonge volwassenen met wie ik ­tegenwoordig werk, zeggen de woorden ‘Liu-si’ of ‘Tiananmen’ niets. De iets ouderen weten het nog wel. Een oud-collega vertelde me eens hoe hij als scholier van 15 jaar elke dag na school gedurende die bijna zeven ­weken durende protesten naar het Plein van de Hemelse Vrede ging om te zien hoe mensen, alsof een juk was afgeworpen, verbroederden en openlijk voor hun mening uitkwamen. ‘Het was de beste tijd van mijn leven’, herinnert hij zich.

Wantrouwen

Het alom gebruikelijke wantrouwen tegen vreemden was verdwenen. Mijn jonge nieuwsassistent Zhao kwam op een ochtend stuiterend van opwinding binnen. Hij was door slaapgebrek en vermoeidheid – waar we allemaal last van hadden – met zijn fiets tegen een paar mensen ­opgereden. In plaats van een scheldkanonnade kreeg hij bezorgde vragen of hij zich niet had ­bezeerd. Zulke menselijkheid had hij nog nooit meegemaakt! Zijn relaas deed me denken aan wat ik bij het vak geschiedenis had geleerd over ‘liberté, fraternité en egalité’.

Die weken hing er een sfeer van vrijheid in de lucht die ik later nooit meer in China heb gevoeld. De kranten begonnen zonder censuur de ­demonstraties en de hongerstaking van studenten te verslaan. De ­politie verdween uit het straatbeeld. Inwoners organiseerden spontaan zelf de stromen van mensen, fietsers en een enkele auto.

Na 4 juni was mijn assistent Zhao eerst volledig in shock en daarna neerslachtig dat het leger met zo veel geweld een eind had gemaakt aan de demonstraties. Vanaf die dag werd China overspoeld met de officiële lezing van een ‘contra­revolutionaire opstand’ en donkere krachten die misbruik hadden gemaakt van de naïviteit van de studenten. Ik zag hoe Zhao steeds minder kritisch over deze versie werd. Eerst vroeg hij me nog wie er dan achter hadden kunnen zitten. Hij geloofde –althans tegenover mij – wat de kranten schreven. Ik was me ervan bewust dat hij, als gedetacheerde medewerker van een Chinese instantie waarvan buitenlandse journalisten en ­diplomaten hun personeel moesten betrekken, ook vanuit zijn werkgever in bijeenkomsten werd gevoed met de alternatieve waarheid. Binnen enkele weken waren onze vrije uitwisselingen van de maanden ervoor verleden tijd.

Ook fysiek waren de sporen al snel uitgewist. De kogelgaten, sporen van de tanks en gewapende pantservoertuigen, van de brandjes en andere beschadigingen op en rondom het Plein van de Hemelse Vrede, waren al direct die zomer weggepoetst.

Op 1 oktober 1989 stonden mijn buitenlandse collega’s en ik weer voor het eerst met zijn allen op het Plein, ditmaal om de strak geregisseerde festiviteiten van de 40ste verjaardag van de Volksrepubliek te vieren.

Zo kwam ‘Liu-si’ steeds meer in de taboesfeer terecht, al verstrakte de sfeer in Beijing in mijn beleving elk jaar weer naarmate de datum van 4 juni naderde. Zoals de naam van Voldemort in Harry Potter niet werd uitgesproken, altijd voelde ik die oorverdovende stilte. De eerste jaren ging ik met een Chinese vriendin, die een ­lokale journalist was, naar het Plein. We vonden het allebei pijnlijk. Chinese vrienden met wie ik er wel over kon praten, vermeden het Plein.

Liu Wei, een Chinese documentairemaker, benaderde op 4 juni 2005 jonge mensen rondom het Plein van de Hemelse Vrede met de vraag of ze wisten welke dag het was. Hij legde dit vast in de documentaire A Day to Remember. De enkeling die het wist, wilde er niet over praten voor de camera. Deze documentaire is in China bij mijn weten nooit uitgezonden.

Veiligheidsagenten

Met de kinderen kwam ik veel later nog wel eens op het Plein, maar ik waarschuwde hen geen gekke bewegingen te maken want het wemelde er altijd van de veiligheidsagenten in burger. We maakten er een sport van om de ‘stillen’ te spotten.

Als ik in China op bezoek ben, heb ik het nooit over die tijd. En toch komt die af en toe boven. Sommigen, als ze horen dat ik al vanaf 1987 in Beijing kom, reageren met een kort ‘was je er ook met Liu-si’? Als ik bevestigend antwoord, wordt dat in stilte erkend. Toch druppelen nog altijd nieuwe getuigenissen naar buiten. In de aanloop naar deze 30ste herdenking doet Jiang Lin, een voormalige militaire verslaggeefster, haar verhaal in The New York Times, vlak voor haar vertrek uit China. Volgens haar probeerden generaals destijds de ­politici tevergeefs te weerhouden van militair geweld. Ze doorbrak haar zwijgen omdat Chinese leiders weigeren rekenschap af te leggen van deze bloedige onderdrukking.

‘6-4’ is weggedrukt, maar niet vergeten, net als de studentenopstand van 1986, de opstand in Tibet in 1988 en de onnoemelijk vele kleine incidenten van burgers in China, die zich roeren maar worden onderdrukt in plaats van gehoord. Zal ik nog meemaken dat de geschiedenis herschreven wordt? Of mijn dochters?

Ik put hoop uit Taiwan. Daar wordt jaarlijks op 28 februari het ‘228 incident’ (‘2-28’, naar de maand en dag) herdacht. Op die dag in 1947 kwam de bevolking van Taiwan in opstand tegen de Chinese heerschappij. Het optreden van het Chinese leger kostte duizenden Taiwanezen het leven. In 1995 bood president Lee Teng-hui excuus aan jegens de families van de toenmalige slachtoffers en besloot het parlement 28 februari om te dopen tot Herdenkingsdag van de Vrede. Zo belandde de weggemoffelde episode alsnog in het collectieve geheugen. Wordt 4 juni nog eens de Dag van de Hemelse Vrede in China?

Caroline Straathof was China- correspondent van 1987-2000; Ze adviseert Chinese bedrijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden