Column Peter Middendorp

We zouden wel een cultclub willen zijn, want rijk of kampioen zullen we nooit worden

Een dag na de uitvaart van mijn vader drong pas tot me door dat FC Emmen, mijn club, waarvan ik de kleuren twaalf jeugdseizoenen hielp verdedigen, als eerste Drentse club in de geschiedenis van het betaalde voetbal naar de eredivisie was gepromoveerd.

Van de beslissende wedstrijden tegen Sparta had ik niets meegekregen, terwijl ik juist in die tijd vaak langs het stadion was gereden; het rouwcentrum staat erachter. Vier losse tribunes in de open ruimte. Klein, maar mooi, met trotse, hoge ruggen.

Tijdens de eerste training trof ik de nieuwe persman. Freddy was, zei hij, aan hetzelfde kanaal geboren als mijn vader. Zijn opa was onder raadselachtige omstandigheden gestorven. Net als mijn opa, en de buurman van weer een paar huizen verderop. Maar waarom ze alledrie op dezelfde, of elk op hun eigen, raadselachtige wijze aan hun einde zijn gekomen, is uit de aard van de zaak eveneens in duisternis gehuld.

We stonden aan het veld. Ik zag Ben Haverkort, mijn jeugdidool, intussen commercieel directeur. De vrouwen die ook al in de jaren negentig vrijwillig koffie schonken. Het was wonderlijk hoe kleuren in je verankerd kunnen liggen – toen de spelers het veld opkwamen, kon ik weer bijna voelen hoe het was om zelf zo’n shirt aan te trekken, helder rood met een witte baan, een gespiegeld Ajax-shirt.

Eigenlijk was alles wel zo’n beetje hetzelfde gebleven. Alleen sommige geluiden en geuren waren verdwenen – de noppen zijn niet meer van ijzer, het veld is niet meer van gras.

Intussen vertelde Freddy de hele tijd dingen waar ik het mee eens was, maar misschien was dat wel logisch als je dezelfde, vochtige wortels deelde. Zo wilde hij geen voorlichter worden genoemd, maar coördinator – hij ging andere mensen niet vertellen wat ze moesten zeggen, want dat sloeg nergens op. En niemand, daar zag hij persoonlijk op toe, die iets voor de club deed, ging met een lege maag naar huis.

Emmen, zei hij, is een ideaal station voor spelers die uit de top zijn gevallen en daarin terug willen keren, maar voor hun plezier dalen ze meestal niet naar Drenthe af. Freddy neemt ze mee naar Nieuw-Amsterdam/Veenoord, naar het hotel aan het raadselachtige kanaal waar Vincent van Gogh een tijdje woonde om tot rust te komen, en weer aan het werk. Ga naar Drenthe, schreef zijn broer. Daar zijn de mensen aardig.

Een maand later schrijft Vincent alweer terug: ‘Ik heb veel hei-lucht ingeademd. Ik had die ook absoluut nodig. (…) Ik spreek kalm, ik denk kalm nu.’

We zouden wel graag een cultclub willen worden, zei Freddy, en dat leek mij een mooie, bescheiden wens, een aardig Drents verlangen. Je legde je er bij voorbaat al bij neer dat je nooit rijk zal worden of kampioen, en belooft altijd hard te werken en vooral leuk te spelen, in de hoop dat er een beetje van je gehouden wordt.

Wat ga je allemaal anders doen, zei een journalist, nu Emmen in de eredivisie al vooraf de absolute topfavoriet voor degradatie is? Niks, zei de trainer, gewoon.

Ik voelde me thuis. Aan ambities waren al genoeg clubs ten onder gegaan. Wij wouden het hier maar eens op onze eigen manier gaan doen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.