COLUMNEva Hoeke

We waren echt weg, los van ons eigen bestaan, zonder iets te missen

Beeld Aisha Zeijpveld

We gingen toch, ondanks het gedoe.

Tweeënhalve dag huizenruil met Nijmeegse vrienden: wij bij hen, zij bij ons, wij weer even in de stad, zij weer even op een dorp, nieuw huis, oud huis, geen geld, toch weg, iedereen blij. ‘En pak vooral alles wat er nog staat, hè!’, riepen we royaal.

Tijdens de schoonmaak die eraan voorafging – zo’n miep ben ik wel – vielen me ineens alle eigenaardigheden van ons huis op, de dingen die afwijken, niet logisch zijn, alsof ik ze door de ogen van de ander zag. Het schuine dak in de douche, de chaotische boekenkast, de aardappelschilmesjes die ze nooit zouden vinden omdat ze achterin de bestekla liggen, onbereikbaar voor graaiende kinderklauwtjes, niet vergeten een lijstje neer te leggen. Wel stom dat we nog steeds het ganglicht niet hadden gemaakt, en zouden zij ook zoveel stapels met dingen in huis hebben? Nee, niemand heeft zoveel stapels in huis, onmogelijk, en ik nam me voor ze na de huizenruil direct op te ruimen, definitief, weg ermee, tegelijk met alle troep in de schuur, je schaamde je toch dood voor al die scheefgezakte verhuisdozen en lekke zwembadjes. ‘Doe maar rustig hoor’, merkte de Man op terwijl hij over de stofzuiger heen stapte. ‘De koningin komt hier niet logeren.’ Maar terwijl ik alle bedden afhaalde en opmaakte en de Man intussen de tassen inpakte (‘Waar ligt dit? Waar ligt dat?’) trokken onze eigen principessa’s beneden wel doodleuk een stapel speelgoed omver en liet er één haar knuffel in de wc vallen, zodat ik even later zwetend bij de wasmachine zat te wachten en me afvroeg waar we eigenlijk aan begonnen waren.

Opvallend, hoe dat gedoe verdampt zodra je in de auto zit. Niet meteen, daarvoor vond ik het nummer te irritant dat naast me werd aangezet (‘Al mot ik krupe, op blote voeten goan’), maar dan toch zeker ter hoogte van Utrecht, en tegen de tijd dat we Nijmegen binnenreden (‘Old city, young vibe’) waren we echt weg, los van ons eigen bestaan, zonder iets te missen, ik vroeg me af wat dat te betekenen had.

Het nieuwe huis was precies dat, een nieuw huis. Zonder kieren, zonder kraken, zonder kapotte lampen en vooral zonder stapels, we ontdekten er niet één. In de badkamer kwam het water met oerkracht naar buiten, de temperatuur werd er geregeld zonder dat wij ons daarmee hoefden te bemoeien, en al het servies paste bij elkaar. Maar het echte schamen begon toen we de stad in fietsten en prompt het volle leven binnenstapten. De donkergroene heuvels, de weelderige huizen met houten luiken en opklimmende rozenstruiken langs de Berg en Dalseweg, de plechtige ernst van gebouwen die alleen in steden worden gebouwd, de vrolijke drift van studenten, het ontspannen zwaaien naar mijn Schoonmoeder (88), de straffe koffie van een Syriër in de Lange Hezelstraat, de terrassen die voor het eerst weer open waren, de pannekoeken na het pretpark, de weldaad, de overdaad, alles wat hier wel was, was er thuis niet – onze arme vrienden, wat hadden we ze aangedaan?

Niets natuurlijk, hoorden we toen we elkaar drie dagen later de sleutels overhandigden. Zá-lig hadden ze het gevonden, een tuin zonder buren. En leuk, zo’n labyrintische boekenkast, daar kon je eindeloos in snuffelen en verdwalen. Waar hadden we trouwens dat behang vandaan? Wij keken elkaar aan: dit gingen we vaker doen.

‘Wij willen ook een paardenkamer’, mijmerden de Dochters toen ik ze ’s avonds naar bed bracht, want ook hen was de huizenruil prima bevallen. Alleen is hun lievelingshagelslag nu wel op, die special edition met witte chocolade-eitjes erin, dat moet ik ze nog even vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden