Column Peter Buwalda

We gaan de dag niet beginnen met plichtplegingen aan een bakbanaan

We liggen immers niet op het strand.

Peter Buwalda Foto Berto Martínez

Tegenover de woonstee ligt gras. Het is een vreemde mat, moet ik erkennen, in de zin van ‘onbepaald’. Het is namelijk geen wei, geen trapveldje, geen park, maar ook geen plantsoen. Het ‘ding’ dan wel ‘gebeuren’ ligt midden tussen de huizen, en meet – wacht, er loopt iemand langs, het ouwe kreng van verderop met d’r hondje, even vriendelijk knikken en stapjes tellen… de lengte is, na bejaardenaftrek, 75 meter. De breedte ongeveer de helft. Mooi veldje toch? Dat bedoel ik. Tijdens het writen kijk ik erop uit, wat me exact de juiste rustieke gezapigheid geeft die ik zoek.

Maar nu even niet. Wat is er gebeurd? Welnu, zodra de weersomstandigheden ‘zomers’ zijn, installeert zich in het gras een man op een badlaken, en wel precies in mijn blikveld. Hij ligt op zijn rug, voeten naar me toe, en omdat hij op zijn ellebogen leunt, kijken we elkaar aan. Zijn voeten zijn bloot, ik kan zijn tenen tellen. Het zijn er gelukkig tien, in ­geval van meer of minder zou het writen me ­sowieso onmogelijk worden.

Een strand. Zo denkt die man erover. Dat is het niet, natuurlijk. Toch draagt hij een zwembroek en smeert zich omstandig in met zonnebrand. Naast hem staat een radiootje – ik wist niet dat die dingen nog bestonden. Ik heb niks tegen ‘vakantie in eigen land’, maar dit gaat ver. Waarom gaat hij niet naar Katwijk? En waarom draait hij zich niet om? Zie ik er soms uit als de branding?

Hoe ik er dan wel uitzie, vraag ik me liever niet af. Waarschijnlijk als ­Meneer de Uil die het nogal druk heeft met z’n Fabeltjeskrant. Ik probeer de zomer te vergeten, vriend. Wanneer jij het een overduidelijk ‘lekker weertje’ vindt, probeer ik het een vies weertje te vinden. Snap je? Dus ik heb liever niet dat je me op zondige gedachten komt liggen brengen. Waar zijn je kokosnoot en je rietje?

Ondertussen doe ik de wildste aannames over wie het is. Laatst werd ik tot twee keer toe anoniem gebeld, door Groene Stroom. Juist toen lag ook de man te bellen. Of ik groene stroom moest, dit en dat – terwijl die vent me aanloerde. Zou het? Of is het de Blauwe Smurf? Een stagiair van de Bezige Bij? ­Philippe Remarque?

Vragen stellen, vertik ik. Eén keer, aan het begin, stak ik mijn hand op. Hij meteen terugzwaaien, ­natuurlijk – dat krijg je ervan. Ik heb het afgekapt; we gaan de dag niet beginnen met plichtplegingen aan een bakbanaan. Ondertussen werkt hij verlammend op mijn gang en wandel, die gelukkig beperkt is. Maar boodschapjes moeten gedaan worden. En meestal is het frisser dan je denkt, zeker met zo’n ­ingevette kerel in je voortuin.

Dus vaak laat ik mijn zomerjack thuis – je wilt onder deze omstandigheden niet als een wereldvreemde koukleum het tuinpad opkomen, vooral niet als Jet mee is. Ik met m’n gewatteerde jasje aan en dan die grijzende surfer met z’n radiootje? Het gevolg is dat ik op weg naar de Albert Heijn geregeld kippevel heb. Toch te koud, een hempie bij 19 graden. Het is ook helemaal geen strandweer. Het is niet eens een strand! Hij moet weg!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.