COLUMNNadia Ezzeroili

We besluiten dat het tijd is om mijn 85-jarige schoonvader te zien

‘Beum’, zegt onze dreumes als hij naar buiten wijst naar een boom. Ik roep mijn partner erbij. ‘Heeft-ie dit woord van jou geleerd?’, vraag ik wantrouwend. Nee hoor, zegt hij. Ik vind het maar merkwaardig. Sinds enkele dagen roept hij ook ‘ah, ni’ als hij zijn speen of een ander buitje ergens in een kier heeft gestopt en er niet meer bij kan. Hij blijkt daar ‘o, nee’ mee te bedoelen. En als hij iets laat vallen, kirt hij ‘oh-oe’, zoals die freaks uit Teletubbies.

Ik vermoed dus dat hij woordjes leert van alle peuterfilmpjes die hij, en dat geef ik maar eerlijk toe, bij elkaar soms twee uur op een dag bekijkt – als het al niet langer is. Ik voel me daar even rot over, maar het pragmatisme wint al gauw van het schuldgevoel: kennelijk zijn die filmpjes toch ergens goed voor. Leert hij tenminste weer een paar woordjes Nederlands. Nou dan.

Het is best een riskante operatie, maar zondag besluiten we dat het tijd is om mijn 85-jarige schoonvader te zien. Ook hij heeft het ervoor over. En zo loopt hij rond het middaguur vier trappen op om op ons dakterras te komen, zonder de trapleuningen aan te raken om eventuele besmetting te voorkomen, wat de klim nog zwaarder maakt.

Als hij, napuffend van het traplopen wat hij niet meer gewend is, op 3 meter afstand voor me staat in de geïmproviseerde werkkamer die naar het dakterras leidt, spring ik nog twee stappen naar achter, totdat ik tegen de boekenkast sta gedrukt.

Het voelt als een verboden ontmoeting. Ik kijk links om te scannen of de Amerikaanse buren achter de rieten afscheiding niet afkeurend naar ons kijken. Want een oudere onnodig in gevaar brengen, dat kennen ze alleen van president Trump. Maar ze steken ontspannen een handje op om te zwaaien, terwijl ze aan hun tafel een biertje drinken en videobellen met het thuisfront.

Mijn partner verontschuldigt zich, omdat we onze dreumes naar bed hebben gebracht. ‘We willen niet dat hij met zijn coronaklauwtjes opeens op je afspringt.’ Mijn schoonvader begrijpt het en geeft mijn elleboog een tik met zijn eigen elleboog. ‘Nee, niet doen’, wil ik eigenlijk roepen, maar ik kan zijn elleboog niet weigeren. En in gedachten spreek ik mezelf streng toe: niet huilen nu, emotionele kneuzin.

Nu de volgende uitdaging. Mijn schoonvader heeft twee flessen wijn meegenomen, en hij lust zelf ook een glaasje. ‘Pak zijn glas alsjeblieft met een servetje aan’, zeg ik tegen mijn partner, die de glazen gaat halen. ‘Neem ook het flesje desinfecterende handgel mee.’ En even later: ‘doe zijn borrelzoutjes alsjeblieft in een apart kommetje en gebruik daar ook een servetje voor.’ Als mijn partner daarna, per ongeluk, op een meter afstand langs mijn schoonvader loopt, vraag ik hem op dwingende toon om uit te kijken. Mijn partner excuseert zich voor mijn paranoïde gedrag.

Nog voordat de onwennigheid en onhandigheid hebben kunnen oplossen in ongebreideld gekeuvel, nadert alweer het moment dat de dreumes zal ontwaken. Mijn schoonvader moet er dus vandoor – als een Assepoester wier koets weer in een pompoen dreigt te veranderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden