ColumnPeter Buwalda

Water kan toch helemaal niet op?

Het water kan dus wél op.

Dat het niet regent, snap ik. En dat het daarom droog is, ook. Maar wat ik niet snap, is dat we daarom ons gazonnetje niet mogen sproeien.

‘Je bent toch niet dom?’, zegt Jet.

‘De Waterleiding is dom,’ schreeuw ik. ‘Dat spul trekt toch meteen weer het gras in? Het doucheputje, de wasbak? En dan heeft de Waterleiding het toch weer?’

‘Ze moeten het toch zuiveren!’

‘Ja, maar regenwater toch ook!’ Kijk, zo ontstaat huiselijk geweld.

Het doet me denken aan Richard II, niet de koning, niet het toneelstuk, maar het Utrechtse restaurant waar ik afwaste. Samen met dr. Arnie, mijn lijfarts en jaarclubg’noot, en Elsinky. Ik noem ze, omdat Richard I, de eigenaar van het restaurant, ons alle drie apart de volgende prangende kwestie voorlegde:

‘Zeg euh… nou ja, jij. Jij studeert hè?’

‘Ja, m’neer.’

‘Maar euh… Ben jij dan niet bang dat het water opgaat? Helemaal op, bedoel ik?’

Richard I en wij, maar dan alle drie op onze eigen afwasavond, stonden naast de enorme industriële afwasmachine, een soort tank vergeleken met het dingetje in uw keuken. Je kon de carrosserie omhoog doen met een beugel, snel alle vette meuk erin zetten, en dan trok je hem weer omlaag. Wat er dan gebeurde, was spectaculair, het was of Jules Verne een zelfgebouwde stoomraket lanceerde, zoveel gesis gaf het, gedamp, herrie. En drie gloeiendhete minuten later was alles schoon en droog!

‘Laten we er een kopen!’ brult Jet.

Straks, eerst luisteren. Alle drie apart legden we Richard I uit dat water niet op kan gaan, dat de ongelooflijke hoeveelheid die zijn geniale afwasraket verbruikte gewoon weer in de grond verdween, zodat de Waterleiding het kon oppompen en terugsturen naar het restaurant – snapte hij dat?

Nee. Wisten wij wel hoeveel kranen er waren? Wereldwijd? Nou?

‘Veel, m’neer.’

Zaak was, weet ik nog, niet te lachen. Richard I mocht geen bruut heerser zijn, hij was wel de baas. En wij waren studenten, het laagste. Zou hij eigenlijk weten wie Shakespeare was – dat soort zondige gedachten. Anders was het vreemd je restaurant Richard II te noemen. Een restaurant was geen kind, al had hij een struise blonde vrouw, die zag ik nog wel stoeltjes en tafeltjes baren. Ze ging over het bestek. De eerste avond had ze me voorgedaan hoe je bestek opwreef, ‘poleren’ heet dat, met een servet duizend vorken en lepels oppoetsen, prachtig werk, alles beter dan writen. Ik kon er geen moer van, volgens haar.

‘Kom jij even mee met die bak’, zei ze de week erna. Ik met die bak erachter aan, de tuin in. Ze trok er een lepel uit, hield hem in de avondzon. ‘Noem jij dit schoon?’ ‘Nee, m’vrouw.’ ‘Opnieuw!’

Bestek en water kwamen samen in het zoontje, dat Richard II heette. Aha, zo zat het dus. De toko heette naar bengelmans.

Zonder taakje hing hij rond. Soms klapte er van grote afstand een lepel in onze afwasbak. Hing de Dreft in je wenkbrauwen. Dan had Twee z’n toetje op. ‘Hee!’, hoorde ik een keer, druk met de afwasraket. Toen ik omkeek, zat mijn wang tegen een enorme lever! Grapje van de kok. Eén en Twee kwamen niet meer bij. Domme stuudjes waren we.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden