ColumnSylvia Witteman

Wat zag ik toch in Billie Turf toen ik 8 was?

Soms kun je van je kinderen toch wel plezier hebben: mijn dochter bracht een album van Billie Turf (‘Het dikste studentje ter wereld’) voor me mee, dat ze had gevonden in een uitdragerij. Het bleek uit 1973 te stammen. Ik was toen 8, en dol op Billie Turf.

Ik kon me er weinig meer van herinneren. Ja, magere meester Kwel, die dikke Billie altijd achterna zat met zijn wandelstok. En natuurlijk dat eten dat erin voorkwam, al die taarten, koekjes, worstjes, gebraden kippen en schalen aardappelpuree: ik bekeek het watertandend, want mijn moeder hield er nogal spartaanse opvattingen over voedsel op na, dus een mariakaakje was bij ons thuis al heel wat. Zat ik maar op die kostschool!

Vertederd begon ik te bladeren in dat album uit mijn jeugd. Mijn fóúte jeugd, zo bleek al gauw. Billie gaat bij de Chinees eten: het restaurant heet ‘Ping-pang-pong’, de uitbater heeft een geel gezicht met spleetogen en een vlecht, en Billie roept: ‘Bah die snertstokkies, daar kan ik niet mee eten, breng me eens een fatsoenlijk bestek!’

Als er een Arabisch jongetje op de kostschool komt (Abdoel, de zoon van ‘de afschuwelijk rijke sultan Ohlie Ben Grabbel’) wordt het nog erger: Billie vermomt zich, met behulp van een keukenschort, als Arabier en sluit vriendschap met het rijke jongetje (‘Wat zijn uw naam, o dikke jongen?’ ‘Mijn naam is Bhilli Thurf, o majesteit! Ik zal uw nederige dienaar en beschermer zijn op deze school’), waarna het jongetje hem vastketent: ‘Jij zijn toch mijn slaaf? Nou, in het vaderland leggen wij slaven aan de ketting om te zorgen dat zij niet weglopen!’, en dan komen er nog ‘Arabische gangsters’ ook (‘Yashmak en Yoekyoek’) om Abdoel te kidnappen.

Het loopt goed af: ‘Dappere Bhilli hebben mij in moeilijke uur niet in de steek gelaten, vader.’ ‘Hij zal zeer rijk beloond worden, zoon’, en daar varen Billie en Abdoel samen in een bootje, volgeladen met lekkers, het avontuur uit. Op de boot staat, waarschijnlijk om elke eventuele vrees bij de lezertjes weg te nemen: ‘ONZINKBARE MOTORBOOT’. Dat ontroerde me.

Verder is er weinig ontroerends aan. Billie zelf wordt voortdurend uitgescholden voor ‘lelijke dikke oliebol’ en ‘domme vreetmachine’, niet alleen door zijn makkers, maar ook door meester Kwel; in vrijwel elk verhaal krijgen kinderen stokslagen, waarbij ze niet eens huilen of schreeuwen, maar alleen een beetje geërgerd kijken. In één verhaal valt Billie op zijn hoofd, en is daarna opeens heel slim: ‘Billie wordt zo knap dat hij zelfs mag helpen met lesgeven.’ Op het plaatje zien wij hem zijn – gebukt staande! – medeleerlingen afrossen met de stok van Kwel. ‘Jullie krijgen een flink pak slaag voor zulke domme antwoorden.’

Verder zijn de (schaarse) vrouwen die in het boek voorkomen óf goeiig en dom, óf venijnige trutten met smetvrees; tuinmannen, boeren, zeelieden praten plat, en er is sprake van een ‘wallawonga-toverdokter uit donker Afrika’ die zijn ‘vijanden met een voodoovloek in kikkers verandert’.

Ik moest erom lachen, zo heerlijk ouderwets fout allemaal. Maar wat ik er als kind aan had gevonden? De verhaaltjes zijn slap en alle personages, inclusief Billie, zijn behoorlijk onsympathiek. Ook was ik een gevoelig kind, dat zelf gepest werd. En ik was heel erg tegen schelden, lijfstraffen en ‘discriminatie’ (de term ‘racisme’ werd toen nog alleen gebruikt voor zeer zware gevallen, zoals de Ku Klux Klan).

Verbaasd bladerde ik nog eens het hele album door. Wat zag ik toch in Billie Turf toen ik 8 was?

Ik denk dat het me toch vooral om die taartjes te doen was.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden