Column Peter Middendorp

Wat moest ik zeggen? ‘Kom maar gewoon. Je ziet het wel.’

Ik mag van mijn vriendin geen klusjes meer doen. Ze heeft me laten beloven overal van af te blijven, wat misschien leuk klinkt, als iets dat iedereen wel zou willen, een leven zonder klusjes, een vrouw die niets meer van je verwacht, maar als zoiets wordt afgedwongen is het anders. Sinds mijn belofte lachen mij overal in huis de klusjes toe.

Bovendien zat ik met een bank op mijn kamer. Die moest eruit. De zware, tweedehandse bank was ooit door drie verhuizers op hoge armen door de trapgaten naar boven gemanoeuvreerd en geduwd, waar zij sindsdien, pontificaal in mijn werkkamer, de sfeer staat te verzieken. Wat een vies bankje was het toch. Hoe oud was dat ding, wie hadden er allemaal op gezeten, hoeveel scheten waren erop gelaten?

Met een Blokker-boodschappenmandje gereedschap uit de erfenis van mijn vader, een zaag, een hamer, een beitel en nog wat dingen waar volgens mij geen eigennamen voor bestaan, ging ik de viezerik te lijf. Hij moest kapot, en daarna in hanteerbare stukken naar beneden. Maar hoe ik ook beitelde, zaagde en sloeg, het massieve kreng gaf totaal niet mee. Na een halfuur flink doorslopen had ik alleen nog maar de houten pootjes eraf.

Na een korte pauze zette ik de bank rechtop, op haar kont, en duwde haar door de deur naar de overloop. Daar ging ik met rechte rug door de knieën, sloeg mijn armen eromheen en tilde haar met alle kracht die ik uit mezelf kon halen boven het trapgat, en liet haar zo, rechtstandig, naar beneden zakken, totdat ze niet verder kon.

Ik zette de handen in de zij en keek naar het resultaat van mijn werk. Er was goed nieuws, dat zag je zo. Als ik er hulp bij zou hebben, volgende week al bijvoorbeeld, als er een sterke neef kwam eten, kregen we haar waarschijnlijk wel beneden. Maar er was ook relatief slecht nieuws. In mijn eentje kreeg ik haar niet meer uit het trapgat omhoog.

Achteraf wist ik het ook wel: om een zwaar voorwerp te kunnen tillen, konden je voeten zich beter op gelijke hoogte met het voorwerp bevinden. Nu lag de bank aan mijn voeten, verzonken in het trapgat, als een spijker die diep in het hout is geslagen. Om haar omhoog te trekken, kon ik alleen mijn vingertoppen gebruiken en een stukje onderrug.

Het was 14.30 uur, ik voelde me als de oude tante die eens lang in de achtertuin had gelegen met een gebroken heup; ze had geen telefoon bij zich gehad om hulp in te kunnen roepen. Weliswaar was ik nog heel en had ik gewoon een telefoon op zak, maar ik kon dan weer niemand bellen, want iedereen met een sleutel was aan het werk, en ik had geen verhaal. Wat moest ik zeggen? ‘Kom maar gewoon. Je ziet het wel.’

Nee, ik stond hier nog wel even.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.