Wat is het middel tegen koopkrachtfetisjisme?

Menskracht (1)

Planbureaudirecteur Laura van Geest riep deze week haar invloedrijke klantengroep - de politiek in Kamer en kabinet - ertoe op koopkrachtplaatjes verstandiger te gebruiken. Het gemiereneuk - mijn woordkeuze, niet de hare - op de vierkante millimeter, zowel tijdens verkiezingen als jaarlijks bij het maken van de Miljoenennota, kost de belastingbetaler veel geld, leidt tot complexiteit in ons belasting- en premiestelsel en is als klap op de vuurpijl ook nog eens een papieren exercitie die weinig van doen heeft met de echte koopkrachtontwikkeling van echte huishoudens.

Ze heeft gelijk en haar argumentatie is overtuigend.

Waarom er dan toch een stukje over maken? Vanwege een twijfelpunt. Vanwege een ontbrekend argument. En vanwege het ontbreken van de oplossing.

Het twijfelpunt. Feit is dat de inkomensongelijkheid in Nederland (ondanks mallotige uitschieters zoals de beloningssprong van ING-baas Hamers deze week) klein en tamelijk stabiel is. In andere landen is de inkomensongelijkheid groter én neemt zij sneller toe. Zou de fixatie van Nederlandse politici op koopkrachtplaatjes daar niet iets mee te maken hebben? Dat lijkt wel aannemelijk.

Als het klopt, is het gebruik van koopkrachtplaatjes te vergelijken met het pletten van een teentje knoflook met een sloophamer: het werkt wel, maar het instrument is feitelijk ongeschikt voor de klus, te lomp. Dit leidt tot de vraag (waar ik geen pasklaar antwoord op heb): is er een beter instrument dan dat ongeschikte koopkrachtplaatje om de inkomensgelijkheid te helpen sturen?

Het ontbrekende argument. Van Geest geeft in haar stuk een mooi voorbeeld. Ze laat het koopkrachtplaatje zien in een bepaald jaar voor mensen met drie soorten uitkeringen. De 'Haagse' koopkrachtontwikkeling voor deze drie groepen varieert dan tussen nul en pakweg 2,5 procent. De veronderstelling die hierbij wordt gemaakt is: al deze mensen hebben volgend jaar die uitkering nog steeds (en ook overigens verandert er niets in hun leven).

Ze zet hiertegenover de ontwikkeling van de koopkracht als mensen vanuit hun uitkering een baan vinden. Als dat lukt, stijgt hun koopkracht met tussen de 12 en 15 procent. Dat is andere koek. Dit is een illustratie van de stelling dat de Echte Koopkracht voor het belangrijkste deel buiten Den Haag bepaald wordt: door het vinden van een (nieuwe) baan, door meer of minder uren te gaan werken per week, door te gaan samenwonen, door kinderen te krijgen, door te gaan verhuizen, door elders (goedkoper of juist duurder) boodschappen te gaan doen.

Laura van Geest, directeur van het Centraal Planbureau Foto anp

Het argument dat ze hierbij niet opschrijft is dit: door die Haagse koopkrachtheisa denken mensen dat Den Haag hun koopkracht bepaalt en gaan ze zich hiernaar gedragen. Dus: wat gaat de overheid doen om mijn koopkracht te verbeteren? En niet: wat ga ik zelf doen om mijn koopkracht te verbeteren? Dus: koopkracht versus menskracht. De koopkrachtheisa kweekt onderdanen, afhankelijken, draagt bij aan de perceptie van onmacht. De hoge heren in Den Haag draaien toch aan de knoppen, dat werk.

De oproep van Van Geest heeft, hoe verstandig ook, iets gratuits. Want: hoe dan? Kunnen kabinetten, en kunnen politieke partijen in een verkiezingsstrijd, wel verstandig omgaan met koopkrachtplaatjes? Neen. Als negen van de tien politieke partijen verstandig omgaan met koopkrachtplaatjes, heeft de tiende een onverslaanbaar electoraal voordeel. Als een kabinet verstandig doet, betaalt het de hoofdprijs in de Kamer. Politieke partijen kunnen daarom niet verstandig omgaan met koopkrachtplaatjes, al zouden ze het willen.

We hebben dus een serieus vraagstuk, maar nog geen oplossing. Laten we daar deze week goed op kauwen: wat kunnen we wél doen? Volgende week verder.

Frank Kalshoven is directeur van De Argumentenfabriek. Reageren? frank@argumentenfabriek.nl