Column Aleid Truijens

Wat is er toch mis met de havo?

Ik hoor het leraren in mijn omgeving verzuchten: ik hoop dat ik volgend jaar géén 4 havo krijg. Even een jaartje niet, die überpubers. Het zijn de klassen die het geluk van de leraar en het geloof in kinderen ernstig ondermijnen. Leerlingen die niets lijken te willen, geen sprankje ambitie, interesse of nieuwsgierigheid tonen, die alleen maar apathisch hangen met hun telefoon en zich calculerend, met zo min mogelijk inspanning, naar de eindmeet slepen.

Natuurlijk, zo zijn ze niet allemaal. Als je ze apart spreekt, zijn het meestal lieve kinderen. Maar over die havo-klassen ligt, vinden veel leraren, een deken van apathie en schoolhaat.

Wat is er toch mis met de havo? (Ik ben opgehouden hypercorrect ‘het’ havo’ te schrijven.) In De staat van het onderwijs was de Onderwijsinspectie ook al niet te spreken over het functioneren van dit schooltype. De havo heeft de slechtste onderwijsresultaten, het laagste slagingspercentage en de meeste zittenblijvers. Er zijn ‘een tekort aan motivatie’ en ‘onvoldoende studievaardigheden’. Van alle leerlingen met een havoadvies heeft na vijf jaar 42 procent een havodiploma, van de jongens 35 procent. Havo-afdelingen zijn twee keer zo vaak ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ als andere schoolsoorten.

Toch is de havo, net als het vwo, heel populair. Steeds meer kinderen gaan naar havo/vwo, al dan niet gepusht door hun ouders. Veel ouders vinden havo toch wel het minste voor hun kind, wil het kunnen meedoen in de maatschappij. Kinderen voelen dat. Ook al zouden ze liever iets praktisch doen, ze proberen eerst een school met meer status. En zolang de havo/vwo-hbo/wo-route nog altijd sociale en financiële privileges biedt, is dat begrijpelijk en is de ‘opwaartse druk’ in het onderwijs onvermijdelijk.

Roepen dat het gouden tijden zijn voor vaklieden en dat het beroepsonderwijs heus niet minder is, helpt niet. In Nederland mág je naar havo/vwo en móét je naar het beroepsonderwijs. Het samenvoegen, in 1999, van lbo en mavo in het vmbo heeft de tweedeling – met dank aan sociaal-democraat Tineke Netelenbos – alleen maar scherper gemaakt. Het vmbo werd de gevreesde schoolsoort, in de verkeerde wijken.

In 4 havo is het gevecht om de sociale stijging en het voorkomen van daling goed zichtbaar. Hier komen veel ‘stapelaars’ uit het vmbo terecht; zo’n 15 procent van de vmbo’ers stroomt door, en ze moeten vaak erg hun best doen. In dezelfde klas zitten leerlingen die het op het vwo niet hebben gered, vaak omdat ze te weinig hebben uitgevoerd. En er zijn de havisten die dreigen af te glijden naar het vmbo en van wie de ouders dat per se willen voorkomen, desnoods met bijles. De chemie in die klassen is niet goed.

De ambivalentie van de havo blijkt ook uit de populariteit van havo’s met praktijkvakken als techniek, ict, horeca of toerisme. Veel kinderen bloeien daar op: lekker een paar uur niet in die duffe schoolbanken, maar echt werken. Je vraagt je af waarom ze dan niet mbo-4 doen.

Voor deze kluwen van problemen – het gevecht om schooladviezen, de motivatieproblemen, het moeizame klimmen, het havo/vwo-snobisme, de minachting voor het beroepsonderwijs – is één oplossing: houd de kansen en mogelijkheden open. Prop kinderen niet zo vroeg in laatjes. Verschillen in intelligentie en niveau bestaan, maar als ze worden gemeten, blijken ze kleiner dan gedacht. Verlaag de afzonderlijke eindniveaus niet, maar bied iedereen praktijk- én theorievakken aan, laat kinderen hun voorkeuren volgen, hun talenten ontdekken en zo lang ‘klimmen’ als ze willen en kunnen. De problemen op de havo zijn een symptoom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden