COLUMNSylvia Witteman

‘Wat is er toch, mijn sjnuurveltje sjnierveltje sjnavelaar?’, zei ik nog maar eens

Mijn oude vader was jarig. Het zou nu écht de laatste keer zijn, beloofde hij, maar dat zegt hij al zeker tien jaar. Hij is inmiddels 81 en afgezien van verregaande morsigheid lijkt hem weinig te mankeren. Nou ja, hij kan niet lopen, maar dat doen anderen voor hem.

In zijn keuken regende het binnen zowat even hard als buiten, maar dat ‘droogde vanzelf weer op’ volgens mijn vader, dus slalomden wij, zijn talrijke kinderen, met hete pannen tussen de plassen water, terwijl hij onder het afdakje in de tuin tevreden achter schalen vol kostelijke spijzen zat te ouwehoeren met die paar vrienden van hem die nog niet dood zijn.

Het hield op met regenen, de zon brak door en alles was heel genoeglijk, alleen de baby van mijn jongste zus was chagrijnig en bleef op elke ter beschikking gestelde schoot zitten mopperen. ‘Wat is er dan, mijn sjniervelesjnaarvelesjnurelaar?’, zei ik, maar hij zei niks terug, wat logisch was, want hij is pas 6 maanden. Wel zette hij zijn klaaglijke geluiden nog een tandje bij. ‘Ga maar met hem wandelen’, zei mijn zus. ‘Dan valt hij vanzelf in slaap.’

Zo gezegd zo gedaan. Mijn zus legde hem in de kinderwagen en daar reed ik hem al het Brabantse dorpje uit, naar buiten. De topografie van het platteland heeft vaak rare namen, maar hier maakten ze het wel heel bont. Er was sprake van Aakvlaai, Bleeke Kil en een rivier die aan de zuidkant Spijkerboor heet en aan de noordkant Gat van Loopgauw; zelfs Bordewijk krijgt zoiets niet bij elkaar gefabuleerd, maar het zonnetje scheen en de dampende velden roken heerlijk.

Ik liep en ik liep, maar de baby bleef mopperen. ‘Wat is er toch, mijn sjnuurveltje sjnierveltje sjnavelaar?’, zei ik nog maar eens. Dat deed ik indertijd ook altijd bij mijn eigen kinderen, en het hielp ook toen al niets.

Ik liep en ik liep en ik liep, langs camping De Geitenbrij, brouwerij Gebalde Vuist, herberg In den Dicken Visch (ik zweer dat ik van dit alles geen woord verzin), ik kweelde nog allerlei sjnuurvelesjnaarvelesjnierelaars tegen de baby, die klaaglijk bleef pruttelen en met zijn armpjes maaien, tot ik eindelijk, langs de oever van het riviertje Hellegat (serieus, wie bedenkt zoiets?) zijn oogjes dicht zag vallen. ‘Goed zo, mijn sjnuurfje’, prevelde ik. Hij slaakte nog een beverige zucht en weg was hij.

Toen rende er uit een belendende boerderij een reusachtige zwarte hond het erf op. Hij sprong tegen het hek op en begon dreunend te blaffen. Met een paars aangelopen, krijsende baby kwam ik even later mijn vaders huis weer binnen, waar het inmiddels, goddank, al ruimschoots borreltijd was. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden