Essay Politiek

Wat er ook gebeurt, Den Haag heeft het gedaan

Beeld Rhonald Blommestijn

Na elke dramatische verkiezingsuitslag kun je erop wachten: het gemopper op de ‘falende politiek’. Pas maar op, zegt Sander van Walsum, want welke fatsoenlijke bestuurder ziet zo’n baan straks nog zitten?

Een prettige bijkomstigheid van de relatief goede – minder slecht dan verwachte – uitslag van de Kamerverkiezingen van 2017 voor de VVD en andere middenpartijen was dat we daarna even waren verlost van het rituele gejammer over ‘het falen van de gevestigde politiek’. Want dat was de ketelmuziek die elke stijging van de PVV en later FvD in de peilingen steevast vergezelde: dat de oude politiek had gefaald. Dat Den Haag over de hoofden van de ‘mensen in het land’ regeerde. Dat het de signalen van onvrede had miskend, net als aan de vooravond van Pim Fortuyn.

Het dramatische verlies van 29 zetels van de PvdA werd weliswaar toegeschreven aan haar vervreemding (als coalitiepartner van de VVD in het kabinet-Rutte II) van de mensen die zij werd geacht te vertegenwoordigen. Maar feitelijk werd ze afgestraft voor haar bereidheid om, in tijden van crisis, beleid te voeren dat pijn deed. Als een van de representanten van ‘de gevestigde orde’ had ze dus niet zozeer gefaald: zij had juist verantwoordelijkheid genomen waar de PVV, gedoogpartner van Rutte I, was afgehaakt om de kiezers te behagen. De PvdA werd afgestraft omdat ‘luisteren naar de mensen in het land’ iets heel anders is dan verantwoord beleid voeren. Zeker als een economische crisis het hoofd moet worden geboden.

Maar na de zege van FvD bij de Statenverkiezingen van vorige maand werd overal weer de oude grammofoonplaat opgezet: door het falen van de middenpartijen zou aan de rechterflank ruimte zijn ontstaan voor FvD. Daarbij wordt de (veronderstelde) miskenning van de wensen van de gewone Nederlander gebruikt als synoniem van politieke en bestuurlijke zwakte. Maar bestuurlijke daadkracht en regeren met instemming van de mensen in het land zijn twee heel verschillende dingen. En een goede politicus moet bereid zijn om de wensen van de kiezer te negeren – ongeacht de electorale afstraffing die daarop kan volgen. Hij moet bereid zijn ‘over de hoofden van de mensen heen’ te besturen. Daarvoor wordt hij – al is het politici zelden om het geld te doen – tenslotte betaald.

Beducht voor de gewone man 

Niet het negeren van de gewone man of vrouw is het probleem, maar de huiver om beleid te voeren waarvan die man of vrouw mogelijk niet blij wordt. De gemiddelde politicus ambieert geen imago als ‘bestuurder’ – dat in het spraakgebruik dezelfde klank heeft als ‘technocraat’ – maar wil worden gezien als ‘een van ons’. Als een gewone, ‘hardwerkende’ Nederlander die toevallig in de politiek is terechtgekomen, maar die ook best in de zorg of het onderwijs had willen werken. Hij bedient zich, zonder aansporing van communicatiestrategen, van ‘jip-en-janneketaal’. Alleen Thierry Baudet laat de gewone man graag zien dat hij niet van de straat is – wat een klaterende verkiezingszege niet in de weg stond. Maar de politicus van het verguisde midden koketteert eerder met de seizoenskaart van zijn voetbalclub dan met zijn museumkaart of zijn abonnement van het Concertgebouw. Om vooral de indruk weg te nemen dat hij tot de elite zou kunnen behoren.

Nu is ‘elite’ in Nederland van oudsher geen nastrevenswaardig etiket, maar het is toch curieus dat zelfs de minister-president zich er niet mee wenst te tooien. Je kunt dit afdoen als blijk van al dan niet valse bescheidenheid, maar er spreekt ook beduchtheid uit voor een electoraat van gewone mensen. Bij het kabinet-Balkenende IV was – na de roerige jaren van de LPF – die beduchtheid zó groot dat het de hoofdlijnen van het regeerakkoord pas na ‘gesprekken in het land’ uitwerkte tot concreet beleid.

Als de mensen in het land niet worden geconsulteerd door een net aangetreden kabinet, nodigt het NOS Journaal of Stand.nl ze wel uit om hun zegje te doen. Want dat hebben we wel geleerd in de jaren na Pim Fortuyn. En waar van regeerders redelijkheid en matiging wordt verwacht, mogen de geregeerden onweersproken leeglopen achter een microfoon. Ze mogen zeggen dat ze zich door de politiek geminacht voelen, dat ze in Den Haag een hekel hebben aan de kiezers, dat politici zakkenvullers zijn en dat het geen enkele zin heeft te gaan stemmen. En politici worden geacht eerbiedig kennis te nemen van deze opvattingen. Zoals ze ook nota moeten nemen van gele hesjes die – vooralsnog niet in groten getale – kenbaar maken ‘het’ niet langer te pikken. De vraag wat ‘het’ behelst, is kennelijk zo oneerbiedig dat ze niet wordt gesteld. En de verleiding van de referendumdemocratie die Thierry Baudet hun in het vooruitzicht stelt, is zo bedwelmend dat ze zijn uilen, zijn boreale vergezichten en zijn Latijnse citaten voor lief nemen.

Het is twijfelachtig of hierdoor condities voor goed beleid worden geschapen. Want zoals gezegd: goed beleid is niet per definitie populair. Het vorige kabinet heeft, onder druk van de omstandigheden, Nederlanders beroofd van (veronderstelde) zekerheden, zoals pensionering op 65-jarige leeftijd (op z’n laatst) en een solide bescherming tegen ontslag. Vooral coalitiepartner PvdA heeft hiermee gramschap opgewekt bij het electoraat. Toch zal de geschiedenis welwillend oordelen over Rutte II.

De Nederlandse ziekte

Omgekeerd hebben meerdere kabinetten in de jaren zestig en zeventig de kiezers willen behagen met de uitbouw van de sociale zekerheid met inkomsten uit de aardgaswinning. Al in 1977 diagnosticeerde The Economist dit uitgavenpatroon als ‘de Nederlandse ziekte’. Met de bodemrijkdommen had men, naar Noors voorbeeld, beter een fonds kunnen aanleggen waarmee de gevolgen van dalende gas- en olie-inkomsten in de toekomst konden worden opgevangen. Nu Nederland zich het hoofd pijnigt over de bekostiging van het klimaatbeleid en van het herstel van de schade die de gaswinning in Groningen heeft veroorzaakt, kunnen we vaststellen hoe onverstandig het was om die wenk van The Economist niet ter harte te nemen.

Als het kabinet-Den Uyl destijds echter tegen de kiezers had gezegd: ‘We gaan de aardgasbaten niet besteden aan leuke dingen voor de mensen, maar we gaan ze oppotten als appeltje voor de dorst’, had de PvdA bij de Kamerverkiezingen in 1977 – bij een opkomst van 88 procent, kom daar nog eens om – zeker geen 53 zetels vergaard (10 meer dan bij de voorgaande Kamerverkiezingen in 1972). De kabinetten na Den Uyl (onder leiding van CDA’ers Dries van Agt en Ruud Lubbers) poseerden weliswaar als puinruimers, maar wilden de kiezers evenmin het bittere medicijn tegen de Nederlandse ziekte voorschrijven.

Het is niet zo dat democratisch gekozen regeringen ‘over de hoofden van de mensen heen’ regeren, het is eerder zo dat politici door die mensen worden gegijzeld. Het is niet zo dat politici de kiezer minachten, zij voelen eerder angst voor die kiezer. En die angst is gegroeid naarmate de kiezer zich grilliger is gaan gedragen en steeds grotere electorale aardverschuivingen teweegbrengt. De kiezer vraagt om daadkracht, maar straft partijen af als ze gehoor geven aan die aansporing – zoals de PvdA bij de vorige Kamerverkiezingen heeft ondervonden. Beleid moet democratisch worden gelegitimeerd, heet het dan. Maar intussen is de vraag hoezeer dit ‘democratisch gelegitimeerde beleid’ zich verhoudt tot het beleid als dat louter op inhoud zou worden gevoerd. Met andere woorden, als bestuurders inderdaad de technocraten zouden zijn waarvoor ze worden gehouden. Het verschil tussen beide zou aanzienlijk zijn. En dat zou zeker gelden voor het tempo van de besluitvorming.

Democratisch voortmodderen

Van die vraag kan een dictatoriale verleiding uitgaan. Die verleiding wordt soms ook zachtjes uitgesproken. Bijvoorbeeld als het gaat om het klimaatbeleid dat in landen als China zoveel energieker te voeren is dan hier, waar bestuurders op hun daden worden beoordeeld door burgers die gelijktijdig gekant kunnen zijn tegen minerale brandstoffen, kernenergie en windenergie (als die binnen het eigen blikveld wordt opgewekt). Als het erop aankomt, zullen echter maar heel weinig kiezers en gekozenen het democratisch voortmodderen willen verruilen voor autocratische doelgerichtheid – die ook niet per definitie resulteert in goed beleid. Dit is misschien wel een van de weinige dingen waarover zij het eens zijn.

Maar het democratisch voortmodderen begrenst de speelruimte van de bestuurder wel aanzienlijk. En die bestuurder moet ook nog eens het hoofd bieden aan schommelingen in de conjunctuur, aan de gevolgen van wet- en regelgeving waarop hij geen of zeer beperkte invloed heeft en aan wisselende politieke constellaties. De bestuurder zal dus vaker de machteloosheid van zijn ambt voelen dan de macht – die hij vooral heeft in de perceptie van de kritische burger.

En steeds veranderen de maatschappelijke prioriteiten die bepalend zijn voor de agenda van de bestuurder. In die zin is hij steeds bezig de vorige oorlog uit te vechten – met een beperkt wapenarsenaal. Toen het vorige kabinet nog bezig was met de gevolgen van de economische crisis, vroeg de samenleving aandacht voor de aardbevingsschade in Groningen en voor het klimaat, het belangrijkste thema van deze tijd – zolang het duurt. Dan zijn er nog onvoorziene omstandigheden – terreuraanslagen en natuurrampen – waarop een gepaste bestuurlijke reactie wordt verwacht.

Nooit komt de maatschappelijke werkelijkheid tot rust. Daarvan had ook de Britse politicus Harold Macmillan al last, die premier was van 1957 tot 1963. Op de vraag van een journalist wat hij het meest vreesde, antwoordde hij: ‘Events, my boy, events.’ Naar het oordeel van de burger komt de bestuurlijke reactie op die gebeurtenissen vaak te laat of is ze niet toereikend. Ook dat ervoer Macmillan al. Zelf moest hij het veld ruimen toen aan het licht kwam dat zijn minister van Defensie, John Profumo, een buitenechtelijke relatie had onderhouden met een vrouw (Christine Keeler) die eerder de geliefde was geweest van de militair attaché van de Russische ambassade in Londen.

Niet eens zo slecht

In dit dynamische en grillige krachtenspel doen Nederlandse bestuurders het per saldo niet eens zo slecht. Op de mondiale corruptie-index, die de kwaliteit van democratie, rechtsstaat en bestuur vastlegt, stond Nederland vorig jaar op de achtste plaats (die overigens geen aanleiding gaf tot tevredenheid). Economisch doet Nederland het goed. Het Nederlandse zorgstelsel behoort – de recente sluiting van twee ziekenhuizen ten spijt – tot de beste ter wereld. Het stelsel van sociale zekerheid is versoberd maar niet verminkt. Het onderwijs is er, ondanks bezuinigingen en onderbetaling van docenten, tot dusverre goed in geslaagd leerlingen uit sociaal zwakke milieus binnenboord te houden.

De gemiddelde Nederlander is zich van deze zegeningen bewust, getuige de vijfde plaats op de mondiale geluksindex. Maar daarvoor krijgen de mensen die het land besturen geen krediet. Het lijkt wel alsof de Nederlander zich gelukkig voelt ondanks de veronderstelde wanprestaties van die lui in Den Haag. Het private geluk gaat vaak gepaard met het idee dat de ellende buiten de eigen biotoop begint en dat het land als geheel er belabberd bij ligt. Of, om het sociaal welbevinden te kenschetsen in de woorden van socioloog Paul Schnabel: ‘Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.’ Het is een constante in de reeks Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Je kunt je schouders ophalen over het rituele gemopper waarin de Nederlander zijn welbevinden verpakt. Maar inmiddels is het zo’n taaie – en nauwelijks weersproken – gewoonte geworden om laatdunkend te doen over politici en beroepsbestuurders dat het opgeroepen beeld zichzelf versterkt. Een bestuurlijke of politieke loopbaan verliest zijn attractie voor mensen die er goed voor zijn toegerust: zij verkiezen het bedrijfsleven boven de publieke sector. Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn die menen dat ze hun maatschappelijke idealen het best kunnen uitdragen in de politiek en die zich niet laten ontmoedigen door kritiek van de burgers die zij willen dienen. Maar de vraag is of er genoeg van deze diehards zijn om ons ook in de toekomst fatsoenlijk te besturen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.