Column Peter Buwalda

Wat Elvis en mij bindt, is ons perfecte haar

Sinds Gerard Reves ‘Een lezing op het land’, een van de tien vrolijke verhalen uit de bundel Tien vrolijke verhalen, geldt het cliché dat een schrijver die optreedt voor een publiek ‘een hoop malle vragen’ moet beantwoorden, en ook altijd dezelfde.

Onzin. Integendeel, zelfs.

Eergisteren was ik in Nijmegen, waar ze erachter waren gekomen dat ik een liefhebber ben van Elvis Presley, en zodoende graag wilden weten of ik er net als Elvis een Memphis Maffia op nahield, en zo ja, wie de leden waren.

Niks mals aan. Op de kaft van Verse probz, mijn ­beste boek tot dusver, heb ik mezelf laten afbeelden in de bladgouden tux van Ol’ Sideburns. Dan vraag je erom.

‘Mijn Joe Esposito’, antwoordde ik, ‘zoals je vast weet Elvis’ roadmanager, heet Jet. Zij zoekt voor me uit welke trein ik moet nemen, en welke pont.’

‘Kun je dat niet zelf?’

‘Mijn George Nichopoulos, beter bekend als dr. Nick, heet dr. Arnie.’ (Nooit ingaan op domme vragen.) ‘Hij is mijn lijfarts en jaarclubg’noot en heeft me duizenden slaappillen voorgeschreven op het clandestiene huisartsenpapier van zijn vader. Mijn Colonel Parker heet Francien Schuursma. Ze is lieftalliger dan Dries, rookt geen sigaren, maar onderhandelt scherper.’

‘En je kapper?’, wilden ze in Nijmegen weten. Goede vraag, dat is wat Elvis en mij bindt, ons perfecte haar. ‘Ik heb geen vaste kapper’, moest ik bekennen.

Nijmegen: ‘Zou Markies de Sade je kapper mogen zijn?’

Ik: ‘Markies de Sade is mijn tandarts.’

Tijdens dit hoogstaande gesprek stegen mijn gedachten hemelwaarts, naar de Rijffster, die dezelfde ochtend in alle vroegte overleden bleek te zijn, een klap voor zijn trouwe volgers op Facebook, waartoe ik hoorde. Hij mocht zich nu al gaan omdraaien in zijn nog verse graf, omdat er natuurlijk niks van klopte: dr. Nick en Colonel Parker hoorden niet bij de Memphis Maffia, wat toch meer Elvis’ jaarclubg’noten waren, z’n pals, z’n jaknikkers. Feitelijke onjuistheidjes dus, waar Ger Rijff, zoals de Rijffster eigenlijk heette, slecht tegen kon.

‘Sorry Rijffster’, mompelde ik.

Naar wakker worden, was het. De Rijffster, zomaar doodgebleven op zijn 67ste. (Wat nu? Ik liep al jaren met het plan hem te portretteren.)

Waren we vrienden? Een beetje wel. Nooit ontmoet, daar niet van, maar we correspondeerden. Over Ol’ Sideburns, dat sowieso, en over het halflege glas des levens. En bovendien op kalme toon – dus niet zoals onder zijn Facebook-posts, waar de ­Rijffster als een Louis van Gaal zijn internationale clientèle te woord stond. Hij kon enorm uit z’n slof schieten bij blunders. Daar hield ik wijselijk mijn mondje.

Toch lag er zijn charme, in de kribbige worsteling met zijn levenslange Elvis-liefde. Hij was namelijk ook boos op the King, zoveel hield hij van hem. Ja, het stak ingewikkeld in elkaar. Wij, zijn trouwe volgers, snapten dat, herkenden het zelfs. De Rijffster was iedere dag, veel erger dan andere fans, blij met de goede Elvis, en teleurgesteld in de slechte. Soms, voor de vorm, verdiepte hij zich eventjes in Buddy Holly, of probeerde er zelfs helemaal mee te kappen. Dan nam hij afscheid van ons. Ach en wee. Heintje Davids. ‘We gaan je missen, Rijffster! So long!’ Is ­zeker vijf keer gebeurd, misschien wel vaker. En altijd kwam hij na een paar dagen weer terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden