OpinieRacisme in Nederland

Waren we in mijn jeugd racisten, volgens de definities van nu? Ik vrees het wel

In het racismedebat wordt identiteit verengd tot huidskleur. Dat debat is niet zo vruchtbaar, betoogt Sander van Walsum.

In de jaren negentig waren de klassen veelkleuriger. Hier in 1999, in Rotterdam, de Agnesschool.Beeld Arie Kievit

Het kan niemand zijn ontgaan: het ging over racisme, deze weken. En als het ergens veel over gaat, hebben we het al snel over ‘een debat’. In dit geval is er echter helemaal geen debat gevoerd. Want een debat vereist deelnemers met uiteenlopende opvattingen. In een debat worden stellingen verdedigd of bestreden. Met betrekking tot racisme is niet gedebatteerd, er is louter geponeerd. En het uitgangspunt van elk studiogesprek dat voor debat moest doorgaan, was dat er in Nederland sprake is van racisme.

Vervolgens ging het over vragen als: hoe komt het dat we zolang hebben weggekeken? Hoe kunnen we onszelf van ‘institutioneel racisme’ bevrijden? Wat doet racisme met de slachtoffers? Wat doen we met de standbeelden die aan een ‘fout verleden’ herinneren? Nuttige onderwerpen misschien, maar ook vrij risicoloos omdat de hamvragen uit de weg zijn gegaan: wat is racisme? Is discriminatie hetzelfde als racisme? En in hoeverre worden mensen, van welke kleur dan ook, door hun etniciteit geconditioneerd?

Wat de laatste vraag betreft: ja, mensen worden mede door hun etniciteit geconditioneerd. Hoe en in welke mate is moeilijk te bepalen, maar ons doen en denken is ongetwijfeld in sterke mate bepaald door onze huidskleur. Maar we zijn ook geconditioneerd door onze sekse, door onze aanleg, door onze sociale achtergrond, door het land en de tijd waarin we zijn geboren. Etniciteit is onderdeel van een amalgaam van factoren die hebben bepaald wie we zijn en hoe we handelen.

In mijn geval – ik ben een blanke Nederlander van 62 jaar – betekent dit dat ik een groot deel van mijn leven heb doorgebracht in een lelieblanke omgeving. Pas halverwege de middelbare school, die ik in het bosrijke Doorn bezocht, zat ik voor het eerst in de klas met een gekleurd meisje: Martha uit Suriname. Ik twijfel er niet aan dat mijn conditionering en die van mijn witte klasgenoten soms pijnlijk voor haar moet zijn geweest – in een mate waarvan ik mij toen niet bewust was, en waarvan ik mij nu geen voorstelling kan maken.

Het kwam, bij mijn weten, niet in ons op dat zij misschien weleens aanstoot zou kunnen nemen aan Zwarte Piet. En ik durf niet uit te sluiten dat we toen weleens opmerkingen hebben gemaakt waar wij ons nu diep voor zouden schamen. We hadden weliswaar oprecht respect voor het feit dat zij zo snel een plek in ons midden had gevonden, en we gaven massaal gehoor aan haar uitnodiging om haar verjaardag bij haar thuis, in Wijk bij Duurstede, te komen vieren. Niet met wijn in colaglazen, zoals toen de gewoonte was, maar met thee en taart – op zaterdagmiddag. Maar ik betwijfel of wij haar voldoende het idee hebben gegeven dat zij er écht bij hoorde.

Waren we racisten, volgens de strikte definities die deze weken worden gehanteerd? Ik vrees het wel. Zelfs in de woorden waarmee wij, pubers uit de provincie, onze waardering voor de ouders van Martha tot uitdrukking brachten, lag iets aanmatigends besloten: het waren líéve mensen. Dat was geen kwalificatie die wij loslieten op witte ouders.

Maar onze houding tegenover Martha, haar land van herkomst en de geschiedenis die zij met zich meedroeg, werd niet alleen bepaald door onze etniciteit. Wij waren óók geconditioneerd door een schuldbesef waarin Calvijn en de Tweede Wereldoorlog doorklonken. We groeiden niet alleen op met Sjors en Sjimmie en Kuifje in Afrika, maar ook met Martin Luther King, protestzanger Pete Seeger en We shall overcome. Aan de Tweede Wereldoorlog, die bij mijn geboorte slechts twaalf jaar voorbij was, werd vooral de vermaning gekoppeld om nooit meer bevolkingsgroepen te isoleren. We kregen de opdracht Nie Wieder, zij het niet in die woorden, mee van onze ouders.

Het – recente – koloniale verleden was geen bron van trots maar eerder een bron van gêne en van schaamte. Getuige alleen al het feit dat ik in een zomerkamp van de NCSV een pamflettistisch boekje met de titel Surinameloos te lezen kreeg, met als teneur: de aanstaande dekolonisatie van Suriname is feitelijk een herkolonisatie door het bedrijfsleven. De NCSV was destijds weliswaar vergaand verlinkst, maar toch: dit soort geluiden was geen zeldzaamheid. Bij de aula-openingen op mijn school ging het over de opdracht die wij, als blanke geprivilegieerden, hadden in een wereld die de sporen van het kolonialisme droeg. Van de godsdienstlessen heugen mij nog de verhalen over het verlichte regime dat in de islamitische delen van Spanje zou hebben geheerst. Tijdens het dauwtrappen op Hemelvaartsdag werd gesomberd over Angola en Mozambique. Met het Wilhelmus werd bij de viering van Koninginnedag niet meegezongen. Aan ‘wij’ of ‘ons’ werden doorgaans geen positieve noties verbonden.

In die zin komen de antiracismebetogingen van deze weken mij vertrouwd voor. Maar ze brengen ook een gevoel van bevreemding teweeg omdat de deelnemers in de ijdele waan lijken te verkeren dat zij de eersten zijn die het over racisme hebben. En ze wekken mijn argwaan vanwege de gemakzucht waarmee identiteit wordt verengd tot etniciteit. Om nog maar te zwijgen over het feit dat mensen die níét demonstreren als racisten worden weggezet. Maar dat doet mij dan weer aan de jaren zeventig  denken: ook toen nam engagement vaak onverdraagzame vormen aan.

Sander van Walsum is redacteur van de Volkskrant

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden