Opvoeden Iedereen doet maar wat

Wanneer is de tijd rijp om je kind te vertellen dat de man met de mijter een verzinsel is?

Is het wel pedagogisch verantwoord om te liegen over het bestaan van de goedheiligman?

Anna van den Breemer schrijft elke woensdag over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt. 

‘Als je jong bent, geloof je alles. Van spinazie krijg je spierballen, je vader is de sterkste man van Nederland en Sinterklaas bestaat’, zegt de voice-over in de openingsscène van de film Alles is liefde (2007), terwijl de camera langs een oer-Hollands fotoalbum glijdt met kiekjes van blozende kinderen op schoot bij Sint-Nicolaas. ‘Maar er komt een dag dat je naar de schoenen van de goedheiligman kijkt en denkt: wacht eens, dat zijn de schoenen van mijn vader!’ De Hollandse romkomklassieker vat hier treffend samen wat ieder Nederlands kind meemaakt.

De ontdekking dat Sinterklaas niet bestaat is óók een lastig moment voor ouders. Want wanneer is de tijd rijp om eerlijk te zijn? En is het eigenlijk wel pedagogisch verantwoord te liegen over het bestaan van de goedheiligman?

Wat zeggen de deskundigen?

Kinderen stoppen met geloven in Sinterklaas rond hun 7de jaar. Dat was honderd jaar geleden zo en dat is nu nog zo. ‘De tijdsgeest heeft daar geen invloed op gehad’, zegt historisch pedagoog en emeritus hoogleraar genderstudies Mineke van Essen, die onderzoek deed naar de sinterklaasmythe. ‘Dit toont aan dat het een natuurlijk moment is in de ontwikkeling van een kind. Ze gaan anders tegen de werkelijkheid aankijken. Vóór die tijd kun je wel zeggen dat de Sint niet bestaat, maar dan geloven ze je gewoon niet.’

Bij jonge kinderen lopen fantasie en realiteit door elkaar heen, wat ook wel ‘magisch denken’ wordt genoemd. Dat verklaart waarom ze het niet raar vinden dat Sinterklaas op televisie in Amersfoort is en tegelijkertijd op de markt in Schin op Geul rondloopt. De twijfelfase kan wel een jaar duren.

Hoe traumatisch is het voor een kind om te merken dat de man met de mijter een verzinsel is? Samen met collega Diana van Bergen stuitte Van Essen op een enquête uit 1938, gepubliceerd in het tijdschrift Het Kind. 39 procent van de ondervraagde kinderen voelde teleurstelling, verdriet en verlies bij de ontdekking. Toen Van Essen onlangs de enquête herhaalde, bleek dit te zijn toegenomen tot 57 procent.

Zijn de kinderzieltjes teerder geworden? ‘Het is een beetje speculeren, maar we wijten de toename aan het feit dat Sinterklaas vroeger werd voorgeschoteld als boeman. Ouders dreigden met hem: pas maar op dat Sint het niet ziet. Kinderen waren dus ook opgelucht.’ Van Essen voegt toe: ‘Kinderen zijn tegenwoordig ook minder gewend aan teleurstellingen.’

En toch: wie Sinterklaas viert, liegt in feite tegen zijn nageslacht. Kan dat kwaad? Nee, is de consensus onder pedagogen. Vroeger dacht men daar anders over. ‘In 1800 gold het als toppunt van een progressieve en verlichte opvoeding om je kind niet in Sinterklaas te laten geloven’, zegt Van Essen. ‘Pedagogen vonden dat je als ouder de waarheid moest vertellen. Sprookjes waren ook uit den boze.’ De jeugd zou door de sinterklaasmythe het geloof in volwassenen verliezen. ‘Later, tijdens de Romantiek, kwam het inzicht dat je de kleinsten hun fantasie niet moet misgunnen.’

Dat vaders en moeders zich in bochten wringen om Sinterklaas geloofwaardig te houden (‘Nee lieverd, dat zijn hulpsinten’), heeft ook iets zelfzuchtigs, menen de Britse ontwikkelingspsychologen Kathy McKay en Christopher Boyle in hun essay over de ‘wonderful lie’ van Santa Claus in The Lancet Psychiatry. Volwassenen koesteren namelijk zelf een sterke behoefte aan die fantasiewereld. ‘Het is een troost om terug te keren naar de eigen kindertijd, die voor velen een magische ervaring was. Misschien vraagt de hardheid van het echte leven om de creatie van iets beters, iets om in te geloven.’

Hoe moet het dan wel?

Uit het kind oprechte twijfels, dan moet je als ouder de waarheid vertellen, vindt opvoedcoach Tea Adema. ‘Maar laat het kind daarin de leiding nemen.’ Er is één uitzondering. ‘Is dochter of zoon al een tijd de enige in de klas die nog gelooft, dan kun je wel voorzichtig vragen gaan stellen: ‘Hoe denk jij dat die cadeautjes daar komen?’ Geloven kan ook een soort houvast zijn, en hoe fijn dat ook is, op een gegeven moment is het klaar.’

De overstap naar niet-geloven kan ook plezierig zijn. Adema: ‘Zeg bijvoorbeeld: nu hoor je bij de groten. Jongens en meisjes vinden het vaak leuk om mee te doen met cadeautjes kopen en surprises maken. Het feest houdt niet op te bestaan, het kind krijgt alleen een andere rol.’ 

Een geruststellend idee voor wie zaterdag bij de intocht gezellig staat te liegen tegen zijn kinderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.