ColumnOnze man in Teheran

‘Waarom zitten we in een tent met een vuurtje als we in een huis met een magnetron kunnen wonen?’

Volkskrant-journalist Thomas Erdbrink woont in Teheran. Hij bericht op deze plek meestal over het dagelijks leven in zijn land.

'Waarom zitten we in een tent met een vuurtje als we in een huis met een magnetron kunnen wonen?' Beeld Getty Images
'Waarom zitten we in een tent met een vuurtje als we in een huis met een magnetron kunnen wonen?'Beeld Getty Images

'Onlangs was tv-journalist Floortje Dessing op bezoek in Teheran. Ze filmde hier het leven van de Nederlandse ambassadeur. Een portret van onze vrouw in den vreemde. We spraken af bij een restaurantje. Daar overhandigde Floortje me een Nederlands fotoboek over de inrichting van de publieke ruimte, compleet met een bestellijst voor prullenbakken, straatbankjes en straatstenen die je in iedere Nederlandse gemeente kunt aantreffen.

'Bekijk dit wanneer je Nederland mist', zei ze.

Ik bekeek de foto's, en inderdaad, Nederland is hard op weg er overal hetzelfde uit te zien. Dezelfde winkels, dezelfde straatlantaarns en ook: dezelfde kleding, hetzelfde haar. Onlangs was ik in Amsterdam op een feest waar alle jongens een snor hadden, een bomberjack aan en een petje zonder klep op hadden. Toen het was afgelopen, fietsen ze allemaal op dezelfde racefiets naar huis.

Anders willen zijn, individueel, maar wel met elkaar en allemaal hetzelfde. Ik snap het wel. Honderd jaar geleden waren in Nederland vast veel meer verschillen, maar of dat een leuke tijd was om in te leven weet ik niet.

Over het boek en die standaardisering mijmerde ik terwijl ik in het gras op de flanken van de Zagrosbergen lag te staren naar de voorbijtrekkende wolken. Op een uur vliegen van Teheran en drie uur rijden was ik in een andere, oude, wereld beland. Om me heen klonken belletjes en geblaat van schapen en geiten. In de verte zaten nomaden in zwarte tenten.

Hier geen hippe coffeeshops met barista's met puntbaarden zoals in Teheran, maar vrouwen getekend door de zon die met verweerde handen geiten aan het melken waren. Mannen achter een tentdoek met de opiumpijp en kinderen op slippers op de heuvels.

Ik had ook naar het eiland Qeshm kunnen gaan, dat de vorm heeft van een haai en wordt omringd door het blauwe water van de Perzische Golf. Toen we daar vorige jaar filmden, zag ik een reuzenschilpad in het water. De mannen droegen lange witte jurken, sommigen werkten dagenlang aan de boeg van een houten vissersschip in aanbouw.

Of ik had kunnen gaan naar de dichte wouden rond de Kaspische Zee, waar wolven en beren huizen en de vrouwen kleurrijke kleding dragen. Waar vis gegeten wordt met granaatappel en knoflook, wat niet stinkt, verzekeren ze daar, omdat het er zo vochtig is.

Ik had op bezoek kunnen gaan bij mijn Koerdische schoonfamilie, die dansen wanneer ze kunnen, hun eigen taal spreken en grote snorren en grote ogen hebben. Of naar de woestijn, bij Kashan, waar de huizen oud en koel zijn en de mensen gastvrij, want dat moet je wel zijn, in zo'n klimaat.

Daar dacht ik aan, terwijl ik in het gras lag. En dat er veel over Iran kan worden gezegd. Over de islamitische leiders, over de regels, over mensenrechten. Over alle dingen waarover ik in The New York Times schrijf. Maar Iran heeft iets dat wij grotendeels verloren hebben: eigenheid en echtheid.

Nu zat ik dus tussen de nomaden, wellicht de oudste groep ter wereld. Natuurlijk ga je dan denken over hoe het leven is veranderd. Rondtrekken op zoek naar beter, dat is waar de beschaving begon. De nomaden van de Iraanse hooglanden trekken al duizenden jaren langs dezelfde routes, op zoek naar gras voor hun kuddes. In de winter zijn ze in het westen van Iran, waar het warmer is; in de zomer trekken ze de bergen in. Het is een zwaar leven.

Toch was ook hier de verandering ingezet. In iedere tent waar we stopten, zaten oude mensen. Bibi Naz Ghanbari en haar man Nejat waren 'in de 70', dachten ze. Hun tent was twee keer weggewaaid en met hun stramme gewrichten hadden ze met moeite hun spulletjes weer bijeengeraapt vanuit de vallei beneden. Hun acht kinderen waren allemaal nomade-af en in de stad gaan wonen, in een huis. 'Zij zijn veel slimmer dan wij', vond Bibi Naz. 'Wat doen we nog in deze tent, ouwe kraai?!', zei ze tegen haar man.

Het stel was het over een ding eens. Dit is de laatste generatie van de nomaden. Een duizenden jaren oude traditie komt aan haar einde. Waarom? 'Omdat dit leven geen doen is', zegt Bibi Naz. 'Waarom zitten we in een tent met een vuurtje als we in een huis met een magnetron kunnen wonen?'

Met voorspoed komt gelijkschakeling. Nomaden verdwijnen. Ze gaan in huizen wonen omdat het makkelijker is. Nederlandse gemeenten bestellen dezelfde straatbankjes, omdat het makkelijker en goedkoper is dan zelf ontwerpen.

Bibi Naz had een kleed geknoopt, ze was er een jaar mee bezig geweest. Zelf had ze alleen Chinese kleden zei ze. 'Veel makkelijker.' Haar handgeknoopte kleden verkoopt ze aan toeristen. 'Zoals jij', zei ze tegen me. En ja. Ik heb ook een kleed van haar gekocht en meegesleept naar ons appartement op de twaalfde verdieping in Teheran. Daar ligt het nu. Nu ben ik net wat individueler dan mijn buren, denk ik.

Twitter: @thomaserdbrink

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden