Column Sander Donkers

Waarom iets verzwijgen voor iemand die je toch nooit meer zult zien?

Jengelde meneer de schrijver niet altijd om afzondering? Welnu! Toen viel mijn telefoon kapot en begon de regen.

Voor spontane ideeën moet men zeer beducht zijn, dat is algemeen bekend. Voor je het weet heb je een bewerkelijk huisdier, een balletschool in Abchazië of erger. Helaas wil zo’n spontaan idee zich nog weleens vermommen als een ‘goed plan’. Zoiets moet er gebeurd zijn toen ik onlangs met het gezin over de Autoroute du Soleil naar huis reed, waar iedereen dringende bezigheden had, behalve ik. In de achterbak lag een puike fiets met alle bijbehorende snuisterijen. In de kontzak zat een creditcard die nog net niet tot de bodem was uitgemaxt. En jengelde meneer de schrijver niet altijd om afzondering, zodat hij zijn peilloos diepe gedachten de vrije loop kon laten? Welnu, wat lette hem? Allons-y!

Een uurtje later werd ik onder vrolijk getoeter achtergelaten op een parkeerplaats bij Langres, waar ik onbezorgd richting het onbekende begon te peddelen. Dit was nog eens léven! Toen viel mijn telefoon kapot en begon de regen die dagenlang niet meer zou stoppen. Van mot naar plens, van giet naar miezer – nee, een gebrek aan variatie kon je de natuur niet verwijten.

Twee vragen drongen zich steeds heviger op. A: hoe voedden de Noord-Oost Fransoos en de Ardenner Belg zich? En b: waar wáren zij? Kilometer na kilometer was er nergens een levende ziel te bekennen. Dorp na dorp hield elke winkel en café zich schuil achter strenge rolluiken. Op de derde dag kreeg ik ruzie met een restaurantbaas die buiten in grote letters spijzen aanprees die hij allemaal niet serveerde (‘Maar wat heeft u dán?’ ‘Rien!’), op de vierde propte ik, wegens doorweekt stokbrood, bij een pompstation vier Marsen naar binnen. Laat op die avond bereikte ik een stadje waar de enige B&B vol bleek.

Was het mijn trillende onderlip? In elk geval kwam er hulp van een vrouw met een woeste bos peper-en-zouthaar en ogen als kooltjes. Ze woonde in een legohuisje, waar ik douchte tussen vreemde potjes en pyjama’s en sliep in de logeerkamer, onder een ingelijste foto van Teheran.

De volgende ochtend hoefde ik die plaatsnaam maar te noemen of ze begon te vertellen. Kalmpjes, met haar hoofd in de palm van haar hand, starend naar de mistflarden die buiten over de velden joegen. Als tiener was ze met haar ouders gevlucht voor het regime van Khomeini. Door het werk van pa kwam ze in deze streek terecht. Nu was ze alleen, maar ze had niets te klagen. Ze verdiende net genoeg, had een dak boven haar hoofd en een paar vriendinnen. Alleen ’s winters, zei ze, dan werd het weleens eenzaam. En dan dacht ze soms aan Teheran, waar ze nooit meer was geweest.

Daarna stelde ze mij vragen. Aangespoord door haar openhartigheid vertelde ik haar alles en nog een beetje meer. Wat raar was, maar ook prettig. Waarom iets verzwijgen voor iemand die je toch nooit meer zult zien? Bij het afscheid hielden we lang elkaars hand vast, te beschroomd voor een omhelzing. Heel soms, dacht ik terwijl ik zwaaiend wegfietste, was een spontaan idee tóch een goed plan. Gelukkig regende het alweer. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.