Waarom het populisme een blijvertje is

Is het populisme 'het nieuwe normaal'?

Het populisme zou slechts een tijdelijke, nuttige ontregeling betekenen van het politieke bedrijf, analyseerde Hans Wansink in 2004. In meer dan een opzicht zat hij fout, constateert hij nu.

Buurtbewoners ageren tegen de komst van een asielzoekerscentrum tijdens een gemeenteraadsvergadering in Steenbergen, oktober 2015. Beeld anp

Fijn is anders, maar ik kan er niet onderuit: ik zag het fout. In mijn proefschrift De erfenis van Fortuyn (2004) typeerde ik het populisme als een tijdelijke ontregeling van het politieke bedrijf: een intermezzo dat vooral de inbraakgevoeligheid van het politiek bestel had blootgelegd. Anno 2017 is duidelijk geworden dat het populisme veel duurzamer is. De vraag die zich opdringt is: is het populisme 'het nieuwe normaal'?

Ter verdediging: ik was de enige niet die het fout zag. Velen met mij zagen het populisme als een nuttige, maar tijdelijke correctie van het systeem. Als de gevestigde partijen goed zouden luisteren dan zouden ze de populisten de wind uit de zeilen kunnen nemen. De politieke partijen stelden hun programma na mei 2002 dan ook in fortuynistische zin bij.

Dat gold niet alleen voor veiligheid en criminaliteit, islam en migranten, maar ook voor andere populistische thema's als directe democratie en euroscepsis. Bijna alle partijen wisselden bovendien van politiek leider. Het zag ernaar uit dat de populistische golf het politieke bedrijf grondig had schoongespoeld. En ook de wederwaardigheden van de Leefbaren en de LPF voldeden voor honderd procent aan de populistische logica uit de handboeken.

Elke populistische beweging begint als protest tegen de gevestigde orde. Politici zijn oplichters die de problemen niet bij hun naam durven noemen en de belangen van het volk onder het tapijt moffelen. Populisten beloven het volk de macht terug te geven, waarbij ze de natie voorstellen als een eenheid met een collectieve wil. Maar wanneer de populistische spelbrekers aan het bestuurlijke spel gaan deelnemen, en compromissen moeten sluiten, raken ze van hun achterban vervreemd. De beweging sterft af, meestal in onderlinge ruzie, omdat de obsessie met samenzweringen als het ware naar binnen slaat. De 'officiële' politieke partijen nemen uiteindelijk in afgezwakte vorm de programmapunten van de beweging over.

Boekpresentatie De populistische revolutie

Op 2 februari organiseert Instituut Clingendael een symposium ter gelegenheid van de publicatie van het boek De populistische revolutie van Hans Wansink.

Met: Thierry Baudet (Forum voor Democratie), Frans Bieckmann (The Broker), René Cuperus (columnist de Volkskrant), Mark Elchardus (hoogleraar VU Brussel), Nausicaa Marbe (columnist De Telegraaf) en Monika Sie Dhian Ho (Clingendael).

Aanvang 15 uur.

Toegang gratis, u moet zich wel aanmelden bij Carla Veltkamp: cveltkamp@clingendael.nl

Kijk op de website van Instituut Clingendael voor meer informatie en het programma.

Onwillige senaat

Deze klassieke logica van het populisme gaat niet langer op. Zo bleek mijn vertrouwen in de vitaliteit van een nieuwe Nederlandse generatie politici veel te groot. De kloof tussen kiezers en gevestigde partijen werd helemaal niet gedicht. De democratisering van het bestel kwam er ook niet. De onwil van de senaat in 2005 om de gekozen burgemeester in de Grondwet op te nemen was een moeilijk aan de kiezers te verkopen afgang. En snel daarna brachten die hun ongenoegen opnieuw tot uitdrukking.

Bij het referendum over de Europese Grondwet op 1 juni 2005 klonk een overtuigend (61,5 procent) 'nee', een pijnlijke verrassing voor de gevestigde partijen, die allemaal voor waren. De populistische partijen zijn daarna blijvertjes gebleken. Bij de verkiezingen van 22 november 2006 sprong de SP van 9 naar 25 zetels. De PVV maakt een vliegende start bij diezelfde Kamerverkiezingen met 9 zetels en bleef daarna goed scoren. Bij de verkiezingen van 15 maart is de PVV zelfs de te kloppen partij.

Met de klassieke kijk op het populisme komen we er dus niet, we hebben met iets nieuws te maken. Uit het Nationaal Kiezersonderzoek blijkt de opkomst van een nieuwe, grote groep kiezers met een combinatie van opvattingen die voor het jaar 2000 niet voorkwam. Deze groep relatief laag opgeleide kiezers heeft weinig politiek vertrouwen en veel politiek cynisme.

De opvattingen van deze groep kiezers blijken samen te hangen: ze zijn trots op de natie, tegen integratie in de Europese Unie, tegen immigratie en voor assimilatie van migranten. Ze voelen zich in hun bestaan bedreigd door de mondialisering. Ze zijn ook sterk voor het verkleinen van inkomensverschillen. Deze groep kiezers voelt zich niet vertegenwoordigd door de gevestigde partijen, heeft de neiging bij verkiezingen thuis te blijven, maar wordt wel gemobiliseerd door de PVV en in mindere mate door de SP.

Dit patroon doet zich ook in andere westerse democratieën voor. De nieuwe links-nationalistische agenda spreekt sinds het uitbreken van de economische crisis bovendien niet alleen een harde kern van cynische kiezers aan, maar ook brede groepen uit de middenklasse die zich in hun bestaanszekerheid bedreigd voelen. Dat betekent nogal wat. Als de oude orde zich al zo lang niet herstelt, moeten we ons gaan afvragen of het ooit nog wel zal gaan gebeuren.

Decennialang waren we gewend aan het regime van de partijendemocratie. Daarin bepalen grote, nationale partijen, die verschillende klassen en etnische groepen organiseren, het openbare leven. Partijen vertegenwoordigen en mobiliseren groepen burgers, ze brengen hun belangen en opvattingen onder woorden en verwerken die in een samenhangend ideologisch verhaal. Ze zorgen voor de bemanning en het functioneren van het parlement en de regering.

Staat van ontbinding

Dit vertrouwde stelsel verkeert in verregaande staat van ontbinding. Daarvoor in de plaats zie je de opkomst van wat je een populistisch-bureaucratisch regime zou kunnen noemen. De partijen verliezen leden, de opkomst bij verkiezingen daalt en de kiezers wisselen veel vaker van partij. Het zijn vooral academici die in de politieke organen de dienst uitmaken. Wat de zorgen zijn van wat zij neerbuigend de 'getatoeëerde klasse', de 'left behind', de 'deplorables', of de 'Wutbürger' noemen, staat vaak ver van hun eigen belevingswereld en ideeën af.

In dit populistisch-bureaucratische regime zijn het niet beroepspolitici die maatschappelijke vraagstukken agenderen. Die rol is overgenomen door actiegroepen, denktanks en veel vrijere politieke ondernemers. Populistische bewegingen moeten het daarbij vooral hebben van een 'wij-tegen-de-rest'-retoriek. Zij maken het liefst gebruik van de sociale media, waar zij zonder tegenspraak van journalisten kunnen communiceren met hun aanhangers.

Met Twitter en Facebook bereikt de PVV-eenmansbeweging van Geert Wilders haar aanhangers direct. Wilders gebruikte in september 2016 alleen Facebook om zijn uit tien punten bestaande programma te verspreiden. De Duitse antimoslimbeweging Pegida riep via Facebook demonstranten op elke maandagavond in Dresden bijeen te komen. Donald Trump twitterde dag en nacht naar zijn ruim zeven miljoen volgelingen.

Dit populistische gebruik van de sociale media als communicatiemiddel komt de kwaliteit van het publieke debat niet ten goede. Mark Thompson, de uitgever van The New York Times, spreekt in zijn nieuwe boek Enough Said van 'een minachting voor de traditionele uitwisseling van argumenten en een verlangen om deze te ondermijnen en te vervangen door beledigingen en categorische beweringen. Debatten die vroeger met een zekere mate van wederzijdse hoffelijkheid werden gevoerd, ontaarden nu vaak snel in het rauwe, het persoonlijke en het ronduit lelijke.'

Op hun beurt trekken de beroepspolitici zich terug in de instituties en identificeren ze zich steeds sterker met hun rol als bestuurders en bekleders van publieke ambten. Niet zelden beschouwen ze hun gekozen zetel als springplank voor een vaste betrekking in het openbaar bestuur, zo dekken ze zich in tegen het onberekenbare kiezersvolk dat hun positie als volksvertegenwoordiger zo kwetsbaar maakt. Het resultaat is dat de politieke partijen als het ware opgaan in de staat en in toenemende mate ook financieel afhankelijk zijn van de staat.

Brandbare voorstellen

Terwijl de gearriveerde partijen vooral bezig zijn zich door middel van compromissen in de regering te handhaven of zich als toekomstige regeringspartner in de kijker te spelen, specialiseren de populistische buitenstaanders, bij ons de SP, de PVV en ook de Partij voor de Dieren, zich in het aandragen van kwesties die het landsbestuur minder goed uitkomen. Daarmee vervullen deze populistische partijen voor miljoenen kiezers een wezenlijke, democratische functie, namelijk als hun volksvertegenwoordigers.

Zo is er een nieuwe rolverdeling ontstaan tussen agenderende, populistische oppositiepartijen op de flanken en het kartel van bestuurlijk ingestelde partijen rond het politieke midden. Assertieve bureaucraten zetten ondertussen de lijnen uit. Een mooie illustratie zijn de aanbevelingen van de Studiegroep Duurzame Groei. Deze groep topambtenaren onder leiding van secretaris-generaal Maarten Camps van Economische Zaken schreef vorig jaar juni een compleet verkiezingsprogramma vol politiek brandbare voorstellen. Die werden gepresenteerd als 'onmisbare bouwstenen' voor een 'onontkoombare, noodzakelijke, radicale verandering waarvan we met zekerheid weten dat ze de komende decennia zal moeten plaatsvinden'.

Zo moeten gepensioneerden voortaan ook AOW-premie betalen. De belastingaftrek voor zelfstandigen dient te verdwijnen. De ontslagbescherming voor mensen met een vast contract moet verder worden verminderd. Het tarief voor zowel de inkomsten- als de winstbelasting gaat 8 procentpunt omlaag: kosten 39 miljard euro. Er moeten meer leraren komen die beter betaald krijgen. Het rekeningrijden komt er alsnog, liefst in de vorm van een heffing tijdens de spits. De hypotheekrenteaftrek moet worden afgeschaft.

Hoe brisant en politiek geladen de ambtelijke plannen van de Studiegroep Duurzame Groei ook zijn, voorzitter Maarten Camps verwachtte niettemin dat ze grote invloed zullen hebben op de verkiezingscampagne en de formatiebesprekingen daarna. Het tekent het zelfbewustzijn van de top van de Nederlandse bureaucratie, die zonder gêne in het gat springt dat de politieke partijen laten vallen. Maar iedere democraat zou zich af moeten vragen of zij de juiste mensen zijn die richting moeten geven aan het beleid in een land waarin zoveel mensen zich al zo lang slecht vertegenwoordigd voelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.