Opinie Onderwijs

Waarom hebben zo weinig inwoners van Nederland kennis over levensreddend handelen?

Na mijn eerste succesvolle reanimatie als arts was ik overmand door trots. Hoewel dat trotse gevoel nog steeds onverminderd aanwezig is, is daar de afgelopen jaren een gevoel van frustratie bijgekomen.

Reanimatie bij volwassenen en kinderen met oa hartmassage, het gebruik van de AED (automatische externe defibrillator) tijdens de cursus EHBO Foto anp

Frustratie over het feit dat er geregeld patiënten op de spoedeisende hulp binnenkomen die baat hadden gehad bij eerste hulpverlening. Dagelijks lopen mensen in Nederland onnodig letsel op door de gebrekkige kennis van omstanders over levensreddend handelen. De vraag die zich aan mij ­opdrong was: waarom hebben zo weinig inwoners van Nederland kennis over levensreddend handelen? En misschien nog wel belangrijker: wat kunnen we hieraan doen?

Uit een onderzoek uitgevoerd door het Nederlandse Rode Kruis blijkt dat slechts 3 procent van de Nederlanders voldoende kennis over EHBO heeft. In Noorwegen, waar first aid-onderwijs is ingevoerd in het vaste lesprogramma op de middelbare school, bezit naar schatting 90 procent van de Noren deze kennis. Ook in Denemarken is onderwijs over eerste hulp een lesonderdeel op de middelbare school. Daarnaast wordt in Denemarken – net als in Duitsland – een EHBO-cursus gevolgd bij het behalen van het rijbewijs. Het aantal geslaagde reanimaties in Denemarken is sindsdien verdrievoudigd.

Deze cijfers rechtvaardigen de conclusie dat Nederland mijlenver achterloopt wat betreft de algemene kennis over levensreddend handelen. Een voor de hand liggende oplossing is het aanbieden van EHBO-onderwijs op middelbare scholen. Zo blijkt uit medisch wetenschappelijk onderzoek dat eerstehulponderwijs op middelbare scholen zorgt voor een verbetering van de volksgezondheid én verlaging van kosten in de zorg. Hoe eerder gestart wordt met reanimatie, hoe lager de ziekenhuis- en verpleegkosten zullen zijn. De Wereldgezondheidsorganisatie adviseert dan ook reanimatieonderwijs te geven aan kinderen vanaf 12 jaar.

Hoewel reanimatieonderwijs op middelbare scholen een grote stap voorwaarts zou zijn, is het mijns inziens niet voldoende. Naast een hartstilstand zijn er immers nog andere potentieel levensbedreigende aandoeningen waarbij omstanders het verschil kunnen maken. Ter vergelijking: per dag worden in Nederland ongeveer veertig reanimaties uitgevoerd buiten het ziekenhuis terwijl er ruim vijfhonderd mensen per dag gebaat zijn bij goede eerstehulpverlening op locatie.

Een analyse van zowel de medische wetenschappelijke literatuur alsook ongevallen en aandoeningen in Nederland laat zien dat er zeker zes onderwerpen zijn waarbij eerste hulpverlening door omstanders het verschil tussen leven en dood kan betekenen, te weten: hartstilstand, epilepsie, beroerte, verdrinking, brandwonden en bloedingen.

De eerste minuten

Deze zes onderwerpen hebben twee belangrijke overeenkomsten. Allereerst is het handelen in de eerste minuten van directe invloed op de mate van herstel en/of overleven van het slachtoffer. Ten tweede zijn dit aandoeningen waarbij een leek (door het uitvoeren van relatief simpele handelingen) een significant verschil kan maken. Deze onderwerpen omvatten kortgezegd ‘levensreddend handelen’. Door gebruik te maken van de nieuwste onderwijstechnieken is het mogelijk een effectieve praktijkgerichte cursus levensreddend handelen te verzorgen in slechts drie uur tijd.

Op dit moment doet onze werkgroep – bestaande uit een tiental wetenschappers verbonden aan het UMC Utrecht – onderzoek naar het te verwachten effect van onderwijs over levensreddend handelen op middelbare scholen in Nederland. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het onderwijs minimaal in twee opeenvolgende jaren wordt gegeven (bijvoorbeeld het tweede en derde lesjaar) zodat de kennis beter beklijft. Verder wordt in het onderzoek zowel gekeken naar het effect op de volksgezondheid, alsook naar de (besparing op) de kosten in de zorg.

Besparing

De eerste resultaten van dit onderzoek laten zien dat snel ingrijpen door omstanders een maximale besparing zou kunnen opleveren van 280 miljoen euro per jaar. De kosten die gemoeid zijn met het subsidiëren van levensreddend onderwijs – circa 5 miljoen euro – zijn slechts een fractie van dit bedrag. Sterker nog, als in slechts 2 procent van de gevallen adequaat door omstanders wordt gehandeld, zijn deze kosten gedekt.

Kortom, die kosten lijken ruimschoots te worden gedekt door de besparingen op de (indirecte) kosten in de zorg, zoals de kortere duur van IC-opnames, vermindering van het aantal onnodige ambulanceritten en reductie van verpleeg- en revalidatiekosten.

Ons onderzoek leidt al tot de voorzichtige conclusie dat de regering implementatie en subsidiëring van onderwijs over levensreddend handelen op middelbare scholen serieus zou moeten overwegen.

Bernard Leenstra

Bernard Leenstra is arts-onderzoeker bij het UMC Utrecht.