Column Alies Pegtel

Vrouwen kozen niet voor het aanrecht maar werden doelbewust teruggejaagd

Ook Nederlandse vrouwen namen in WOII banen van mannen over. Erna móésten ze weer huisvrouw zijn. 

Foto bij een reportage in Libelle nr. 33 van 1959, ‘Zo leeft een huisvrouw in Roggebotsluis’ (Flevoland). Beeld HH

Renske Keizer, hoogleraar ­Vaderschap aan de Erasmus Universiteit, stelt (de Volkskrant, 14 juni) dat de hardnekkige traditionele rolverdeling tussen man en vrouw in Nederland een erfenis is uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Anders dan in andere Europese landen, zouden vrouwen niet het werk hebben overgenomen van mannen die naar het front trokken.

‘Gezinsherstel brengt volksherstel’ 

Keizer ziet over het hoofd dat duizenden Nederlandse vrouwen wel degelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog mannen hebben vervangen die bijvoorbeeld naar Duitsland waren afgereisd voor de verplichte Arbeitseinsatz. Maar na de bevrijding werden al deze werkende, uithuizige vrouwen doelbewust naar het aanrecht ­teruggejaagd: de moeder als spil van het huisgezin moest het verscheurde Nederland herenigen.

In 1945 liet een commissie van ­juristen die zich boog over de restauratie van de Nederlandse rechtsstaat, zich expliciet uit over de rol van de vrouw. Die behoorde thuis te liggen: ‘Wij beschouwen dan ook de taak van de vrouw als gezinsmoeder als haar voornaamste, als één die, met verantwoordelijkheid en liefde vervuld, het gehele volk tot zegen kan zijn.’

Met de leuze ‘gezinsherstel brengt volksherstel’ restaureerde de regering de gezins- en moederschapscultus die in de wederopbouwjaren een hoogtepunt zou bereiken. Het was een cultus waarin de vrouw werd opgesloten in huis en afhankelijk was van haar man. Hij was het ‘hoofd van de echtvereniging’ (wettelijk tot 1970) en moest de kost verdienen voor haar en de kinderen die bij hem ‘in’ woonden. Volgens de huwelijkswetgeving was zij hem gehoorzaamheid verschuldigd en tot 1957 werd ze ‘niet bekwaam’ geacht ‘tot handelen’. Vrouwen in overheidsdienst werden tot midden jaren vijftig ontslagen zodra ze trouwden.

Het feminisme kwam en ging in golven en na iedere hervormingsgolf kwam er een krachtige tegenbeweging die de moederschapsideologie in ere herstelde. Twee jaar na de invoering van het vrouwenkiesrecht, had de populaire schrijfster Ina Boudier-Bakker in 1921 haar afkeer geuit van de ‘op den spits gedreven emancipatie’. Kinderen hadden volgens Boudier-Bakker – die zelf overigens geen kinderen had – behoefte aan een thuismoeder. ‘Een rustpunt in den chaos, een niet teleurstellende oase in de woestijn.’ Ook de katholieke minister Carl Romme vond dat ‘naar natuurlijk bestel’ de man de kostwinner diende te zijn en de vrouw het gezin moest verzorgen. Hij wilde in 1937 alle gehuwde vrouwen het werken verbieden. Zijn conceptwet – die indien aangenomen, uniek zou zijn geweest in de wereld – was symboolpolitiek. Een verwaarloosbare 2 procent van de gehuwde vrouwen werkte in de jaren dertig in dienst van derden.

‘Zelfzuchtige moeders’

In het naoorlogse Nederland gold het als voorrecht dat vrouwen niet hoefden te werken. De Hollandse huisvrouw diende in de Koude-Oorlog-retoriek als boegbeeld van het vrije, welvarende, democratische Westen. Waren Nederlandse vrouwen niet veel beter af dan de arme communistische vrouwen die gevangen zaten achter het IJzeren Gordijn en gedwongen werden hun kinderen in staatscrèches te stoppen om te gaan werken? In de adviesrubriek van Margriet, wekelijks gelezen door 800 duizend abonnees, werden werkende moeders ‘zelfzuchtig’ genoemd. Een kind in een crèche onderbrengen stond gelijk aan een kind in de steek laten, ‘een onrecht dat nooit meer te herstellen is, ook al zorgt men voor verzorging en plaatsvervanging’.

De feministes in de jaren zeventig wilden korte metten maken met het ideaal van de opofferende huismoeder, maar slaagden daar niet in. In de ‘zorgzame samenleving’ die de kabinetten-Lubbers voor ogen hadden, werd doelbewust de Tweeverdienerswet ingevoerd: zodra een vrouw geld verdiende, verloor de man zijn fiscale toeslag als éénverdiener. In 1992 werd 2 procent van de kinderen tussen 0 en 4 jaar opgevangen in een kinderdagverblijf. In dat jaar kreeg de professionele kinderopvang wel voor het eerst een flinke financiële overheidsinjectie, maar tegelijkertijd verschenen er onderzoeken in de media die uitwezen dat crèchekinderen het later minder goed doen.

Het ideaal van de Tweede-Golf-feministen dat man en vrouw werk en zorg eerlijk verdelen, is nooit gerealiseerd. Vrouwen zijn wel meer gaan werken, maar mannen niet evenredig meer gaan zorgen. Na de #MeToo-beweging heeft Thierry Baudet de aanval ingezet op de emancipatie. Hij beschuldigt werkende vrouwen ervan uit eigenbelang ‘hun’ zorgtaken te verzaken waardoor de samenleving uiteenvalt. De Sire-campagne met de iconische zinsnede ‘Wie is toch die man die op zondag het vlees snijdt?’ heeft weinig indruk op hem gemaakt.

Om vaandeldragers van de diepgewortelde moederschapsideologie de wind uit zeilen te nemen, zou de overheid eindelijk het dogma moeten loslaten dat alleen ouders het beste voor hun kinderen kunnen zorgen. Na ­jarenlange vruchteloze pogingen mannen te stimuleren de zorgrol van vrouwen over te nemen, is het veel ­effectiever de kinder- en naschoolse opvang op te waarderen tot een gratis basisvoorziening met hooggekwalificeerde medewerkers, zoals die in de ons omringende landen allang ­bestaat.

Alies Pegtel is historica en journalist. Deze herfst verschijnt van haar hand Zij in de geschiedenis bij de Walburgpers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden