Column Gezondheid

Vraag een (grijze) dokter gerust of hij echt iets van zo'n extra bloedtestje verwacht

Er popt een berichtje van mijn praktijkondersteuner in mijn scherm op. ‘Wil je bij Karel Pieterse behalve voor zijn nieren ook nog iets anders laten prikken? Hij komt in de winter niet buiten, vitamine D bijvoorbeeld?’ ‘Nee, ik ben geen dokter-vampier. Hij kan vitaminetabletjes bij de drogist halen.’ Karels bloeddruk is te hoog. Hij zou minder zout moeten eten en gewoon naar buiten moeten. Twee keer per week komen dames van het huisartsenlaboratorium in onze praktijk bloed afnemen. Ik hoop altijd dat we zo zuinig aanvragen dat ze niks te doen hebben, maar er staat meestal een door ons veroorzaakte rij.

Heel lang geleden deed ik onderzoek naar een manier om huisartsen minder bloedtests te laten aanvragen. Ik gaf ze een formulier met slechts enkele voorgedrukte mogelijkheden. De rest moesten ze zelf bedenken. Werkte prima: minder tests, iedereen tevreden en voor zover bekend niks gemist. Na een half jaartje gaf ik ze het oude formulier weer terug. Ze vervielen snel weer in hun oude gewoonten. Het geloof in de waarde van objectieve getallen is sindsdien alleen maar sterker geworden. ‘Doe maar even lab, dan weet je zeker dat er niks is.’

Engelse huisartsen vragen nu meer dan drie keer zo veel onderzoeken aan dan 15 jaar geleden. Bij 75-plussers steeg het aantal testen het meest: 10 procent per jaar. Ontzettend vaak vroegen huisartsen al die jaren een zogenaamd ‘volledig bloedbeeld’ aan. Dat is een combinatie van testjes om te kijken of iemand bloedarmoede heeft of te veel witte bloedcellen bij bijvoorbeeld een infectie. Dat levert in de huisartsenpraktijk vrijwel nooit nuttige kennis op die de dokter uit het verhaal van de patiënt al niet had. Bij ‘uitsluiten van iets bijzonders’ zit dat pakketje in de gewoontechip van de dokter. Ooit geleerd, dus levenslang gedaan. 

Ook prikken huisartsen graag bloed om te kijken hoe het met iemands nieren gaat. 12 procent van de inwoners van Nederland heeft ‘minder goed werkende nieren’. De helft daarvan loopt niet ontdekt rond, het merendeel van hen merkt er niks van. Ernstig nierfalen komt ‘maar’ bij 1 procent van de bevolking voor. Bij patiënten met een hoge bloeddruk of diabetes is dat af en toe meten wel nuttig, maar of het nu werkelijk zinnig is om na elke wisseling van pilletjes opnieuw te prikken? Het staat in richtlijnen, dus doen protocoldieren als huisartsen en praktijkondersteuners het braaf. 

Zo gaat het aantal tests omhoog zonder gezondheidswinst. Mijn Engelse collega’s bleken ook verzot te zijn op vitamine-D-bepalingen en MRI’s van knieën. En ook die zijn zelden zinvol. Uit angst zeldzame ernstige aandoeningen te missen, doen dokters eerder te veel dan te weinig testjes. Die gewoontechip voor onnuttige bepalingen zit in die dokter zelf. Als oude dokter ben ik inmiddels een risicofactor voor gebruik van nutteloze tests. In Canada bleken namelijk vooral oudere mannelijke huisartsen grootgebruikers van nutteloze hartfilmpjes, longfoto’s, botdichtheidsmetingen en uitstrijkjes. Vraag een (grijze) dokter gerust of hij echt iets van zo’n extra testje verwacht. Meestal niet namelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.