OpinieExcuses

Voorbij trots en schaamte over ons verleden

Amsterdamse excuses voor slavernijverleden moeten onze ‘koopmansvisie’ helpen doorbreken.

Een openbare verkoping van een in slavernij gehouden vrouw en haar twee kinderen in Suriname, 1839. Tekenaar onbekend.Beeld Illustratie Nationaal Archief

Afgelopen woensdag stemde een meerderheid van de Amsterdamse gemeenteraad in met een initiatiefvoorstel om verder onderzoek te laten uitvoeren naar de rol van Amsterdam in het slavernijverleden, als opmaat voor formele excuses tijdens Keti Koti op 1 juli 2020. Die aanstaande excuses komen niet als een verrassing. Als mede-eigenaar van de Sociëteit van Suriname was het Amsterdamse stadsbestuur verantwoordelijk voor de ontwikkeling van slavernij in 18de-eeuws Suriname; andere steden in het buitenland gingen Amsterdam al voor. Toch is het maken van excuses voor een problematisch verleden niet doeltreffend wanneer onze blik op dat verleden gevangen blijft in misleidende frames en oneigenlijke tegenstellingen.

De hedendaagse blik op de koloniale geschiedenis blijft namelijk eenzijdig bepaald door het frame van de ‘VOC-mentaliteit’, waarmee slavernij en andere vormen van koloniale uitbuiting vooral worden gezien als lelijke kanten van een fenomeen dat in essentie draaide om handel en ondernemingszin. Die koopmansvisie op het verleden moet worden doorbroken om daadwerkelijk historisch zelfinzicht te creëren.

Kosten-batenanalyse

Een voorbeeld van hoe de ‘VOC-mentaliteit’ het huidige denken kleurt, is het wijdverbreide misverstand dat de VOC niet aan slavernij deed. In Azië werden echter lange tijd meer mensen tot slavernij gedwongen dan in Suriname en de Caraïben. Onderzoek naar aantallen is bovendien niet genoeg, zo blijkt uit de recente discussie over de bevindingen dat in 1770 ruim 5 procent van het Nederlandse bbp gebaseerd was op (Atlantische) slavernij. Hoe belangrijk ook voor een beter begrip van de maatschappelijke betekenis van slavernij, die economische nadruk bevestigt het diepgewortelde beeld dat het Nederlandse koloniale verleden kan worden gereduceerd tot een kosten-batenanalyse.

Dat onderzoek kan ook een opening zijn voor een bredere discussie. Slavernij is natuurlijk niet alleen maar economisch van aard: het is tevens een ideologisch fenomeen. Naast de centen die ermee werden verdiend, is het zaak die denkkaders te onderzoeken.

Wie in de geschiedenis duikt, ziet al snel dat juist het idee van een puur in economische termen uit te drukken VOC-mentaliteit diep genesteld is in de ‘harde schijf’ van het koloniale verleden die nog altijd bepalend is. Neem ’s lands beroemdste dichter, Vondel, die in 1639 zijn tijdgenoten prees voor hun ondernemingslust: ‘Al waer de winst ons voert, na alle zeen en kusten. Gewinzucht liet tot noch geen havens onbezocht.’ Precies op het moment dat Vondel deze woorden schreef, het hoogtepunt van de door hem bezongen ‘gouden tijd’ van Amsterdam, nam het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel een hoge vlucht. Om die reden is er recent veel discussie over de term ‘gouden eeuw’. Maar opvallend genoeg wordt de Nederlandse rol in de slavenhandel nog altijd geschetst in termen van ‘gewinzucht’. Daarmee blijft Vondels koopmansvisie op koloniale expansie als bewuste ideologische strategie grotendeels intact.

‘Gouden’ en ‘zwarte’ kanten

Wat Vondel deed, was het idee van een ‘gouden tijd’ loskoppelen van de koloniale realiteit, een mechanisme dat doorwerkt in het beeld van een op zich positief verleden met hier en daar enkele ‘zwarte bladzijden’: een tegenstelling die suggereert dat die bladzijden simpelweg kunnen worden omgeslagen. Daarmee vervallen we in een oneigenlijke scheiding tussen goed en fout die voeding biedt aan gepolitiseerde en gepolariseerde visies in termen van ‘trots’ versus ‘schaamte’.

Zo’n versimpeld zicht op het koloniale verleden is om twee redenen problematisch. Het belemmert niet alleen een goed begrip van de samenhang en verwevenheid van de ‘gouden’ en ‘zwarte’ kanten van het verleden. Het heeft ook te weinig aandacht voor de stemmen van protest en verzet die bestaande koloniale denkkaders in twijfel trokken – en trekken – en juist daarom vaak zijn gesmoord.

Wie kent bijvoorbeeld Petronella Moens? Deze nagenoeg blinde dichteres schreef eind 1791 mee aan een felle aanklacht tegen de slavernij. Ze beoogde daarmee ‘de Nederlanderen de oogen te openen’ over het lot van hun zwarte ‘mede menschen’ die beknot werden in hun ‘natuurlijke rechten’. Enkele jaren later, in 1795, brak op Curaçao een opstand uit onder de in slavernij gehouden zwarte bevolking, waarbij Tula, de leider van de opstandelingen, aangaf ‘niets anders dan onze vrijheid’ te verlangen.

Moreel superioriteitsgevoel

De opstand op Curaçao werd op gruwelijke wijze neergeslagen en de stemmen van Moens en Tula vonden nauwelijks gehoor: nog altijd zijn ze bij het grote publiek onbekend. Toch maken ze net zo goed deel uit van het koloniale verleden als de VOC, en moeten daarom een prominentere plaats krijgen in het verhaal dat verteld wordt over de koloniale geschiedenis. Hun pleidooi laat namelijk zien dat slavernij ook draaide om mensen en om een ideeënstrijd, waarbij principes zoals vrijheid, medemenselijkheid en gelijke rechten centraal stonden en bevochten moesten worden. Dat levert een beeld op van het koloniale verleden dat de categorieën van trots en schaamte verbreedt omdat het oog heeft voor meerstemmigheid en morele verantwoordelijkheid, een constructiever en veelzijdiger beeld dan de tegenstelling tussen gouden tijden en zwarte bladzijden.

Dat is ook van belang voor het voornemen om excuses te maken voor het slavernijverleden. Er bestaat een kans dat het stadsbestuur daarmee vooral zichzelf op de borst wil kloppen, om te laten zien hoe verantwoord Amsterdam wel niet zou zijn. Zo’n houding bevestigt alleen maar een vorm van moreel superioriteitsgevoel die in de koloniale geschiedenis wel vaker de kop opstak. Om te voorkomen dat politici terugvallen in zulke koloniale denkkaders, moet de stap tot excuses niet worden gezien als eindpunt, als morele verschoning na jaren van wegkijken, maar juist als startpunt: het begin van een relatie tot het koloniale verleden die daadwerkelijk zelfinzicht creëert door de traditionele koopmansvisie en het kunstmatige contrast tussen goud en zwart te laten varen.

René Koekkoek, Anne-Isabelle Richard en Arthur Weststeijn zijn historici, verbonden aan de universiteiten van Utrecht en Leiden en publiceerden onlangs The Dutch Empire between ideas and practice, 1600-2000

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden