Essay De pijn van het ex-zijn

Voor een woord met zo’n bitter-beladen bijklank heeft ‘ex’ belachelijk weinig letters

Beeld Claudie de Cleen

Het is niet meer dan logisch, ja, zelfs biologisch bepaald dat het adembenemend pijn doet om gedumpt te worden. Maar noem een voorbije relatie niet mislukt, betoogt boeken­redacteur Wilma de Rek. 

Voor een woord met zo’n bitter-beladen bijklank heeft ‘ex’ belachelijk weinig letters, en dan kon ook nog eens het contrast tussen die letters niet groter zijn. Waar e de meest gebruikte letter in de Nederlandse taal is, het labiele snolletje van het alfabet, is x de evenwichtige en ongrijpbare droomprinses. Veel meer dan alleen een letter ook; x staat voor onbekend, voor tien, voor keer, voor kus, voor de nieuwe Madonna.

Welk liedje helpt je over je ex heen te komen? We vroegen het zeven muziekliefhebbers

Ex, zegt Kramers’ Latijns woordenboek, betekent ‘uit’ of ‘sinds’ of kondigt een verandering aan: nihil est enim tam miserabile quam ex beato miser ­– niets zo beklagenswaardig als de ongelukkige die eens gelukkig was (Cicero).

Ex als voorvoegsel, zegt Van Dale, dient ‘ter aanduiding dat de genoemde de in het tweede lid genoemde hoedanigheid niet meer bezit: ex-burgemeester, ex-gegadigde, ex-geliefde’. Bij dat laatste woord volstaat het voorvoegsel. Zijn ex. Haar ex. Mijn ex. Jouw ex. Het lijkt of de ex altijd een ander is, maar iedereen is ex, we zijn per definitie allemaal ex, waarover zo meer.

Beeld Claudie de Cleen

Op de dag dat ik aan dit artikel begin, overhandigt een collega me een linnen draagtasje met het lachende hoofd van Annie M.G. Schmidt erop. Op de andere kant staat haar levensmotto: ‘Alle verhalen eindigen gelukkig, als je maar op tijd stopt’. Schitterende zin! Geluk is gewoon een kwestie van timing. Zeg je baan op voor ze jou eruit schoppen, zet je partner aan de kant voor de sleet erop komt en vrolijkheid zal je deel zijn: goed bedacht van Annie Schmidt. Alleen is het niet bedacht door Annie Schmidt. In haar ­biografie Anna beschrijft Annejet van der Zijl hoe Flip van Duijn zijn moeder opzoekt op de avond van 20 mei 1995, haar 84ste verjaardag. Hij treft Schmidt aan in het souterrain van haar huis aan de Vossiusstraat in Amsterdam, ‘helemaal soezig van de witte wijn’, tevreden luisterend naar muziek. Ergens ligt nog het stuk dat ze die middag met haar leesclub heeft doorgenomen: Zo eenvoudig is de liefde, van Lars Norén. In dat stuk staat de volgende passage: ‘Hemingway heeft ooit gezegd: ieder verhaal eindigt treurig als je maar lang genoeg door vertelt. Ik zeg dan altijd: ieder verhaal eindigt gelukkig als je maar vroeg genoeg ophoudt.’ De volgende ochtend maakt Annie Schmidt een einde aan haar leven.

Verhalen beginnen en eindigen en dat einde is goed of slecht; zelden is het iets slaps ertussenin. Als het om een liefdesgeschiedenis gaat, spreken we over het algemeen van een goede afloop als ze nog lang en gelukkig leven, en van een slechte afloop als het met de liefde aan het einde van het verhaal gedaan is.

In Grand Hotel Europa (2018) voert Ilja Leonard Pfeijffer een schrijver op die Ilja Leonard Pfeijffer heet en die een liefdesgeschiedenis moet opschrijven. De schrijver schuift het slot van die geschiedenis zo lang mogelijk voor zich uit. ‘In mijn reconstructie van wat er tussen Clio en mij was voorgevallen, was ik bijna aanbeland bij de laatste episode, het hoofdstuk dat het moeilijkste zou worden om te schrijven, onze verste en laatste reis, het slot.’ Hoewel we dan al op pagina 470 zijn, kan de verteller nog alle kanten uit. Houdt hij vroeg genoeg op om het verhaal gelukkig te laten eindigen, zoals Norén adviseert? Vertelt hij op zijn Hemingways dóór en gaat het verhaal treurig eindigen? In elk geval zal het eindigen, hoe dan ook.

De grootste troef van verhalen is hun overzichtelijkheid, niet alleen wat betreft omvang maar ook wat betreft inhoud; hoe onwaarschijnlijk ze soms ook zijn, verhalen volgen een bepaalde logica. Dingen gebeuren in verhalen nooit zomaar, ze dienen een doel.

Beeld Claudie de Cleen

Vanaf het moment dat homo sapiens leerde dat je met een stem meer kan doen dan ongearticuleerde klanken uitstoten, dat je uit woorden zelfs hele werelden kan optrekken, is hij zijn omgeving en zichzelf met behulp van verhalen gaan duiden. Zonder verhalen heeft niets betekenis, weten we niet eens wie we zijn. Schrijver Bregje Hofstede loopt in haar recente roman Drift de kleinste details van haar geëindigde huwelijk na om er met terugwerkende kracht een verhaal met een kop en een staart van te kunnen maken. De verteller in Grand Hotel Europa moet ‘boekstaven om de rekening te kunnen opmaken’: ‘Ik denk beter na met een pen in mijn hand. Inkt verheldert. Alleen door op te schrijven wat er was gebeurd, kon ik de controle herwinnen over mijn gedachten.’ Ook niet-schrijvers kennen deze neiging; wie iets ingrijpends meemaakt, gaat vaak schrijven om greep te krijgen op de gebeurtenissen, ze letterlijk te ‘be-grijpen’.

Schrijvers hebben een voorsprong op gewone stervelingen. Een door zijn geliefde verlaten schrijver hoeft geen verhaal te halen, maar kan een verhaal maken, al dan niet gedreven door wraakgevoelens. Ik hoop niet dat NRC dit gaat factchecken maar ik waag het erop: de liefde is het meest beschreven onderwerp ter wereld. Niet de gelukkige liefde waarbij je ’s avonds nog even gezellig een Netflixje pakt met een fijne versnapering erbij; die willen we wel ­beleven, maar we hoeven er niet over te lezen. De ongelukkige liefde, díé moeten we hebben. De verzengende en ­verscheurende liefde waarmee het slecht afloopt en waarna geliefden elkaars exen worden.

Paris die Helena van Menelaos afpakt en meetroont naar Troje, wat nog een hele toestand wordt. Anna Karenina die voor haar geheime minnaar Vronski ‘gloeit met de gruwelijke gloed van een brand in de duistere nacht’. Goethes lijdende Werther: ‘Ik moet zo veel doorstaan! Ach, zijn er dan al eerder mensen zo ongelukkig geweest?’ De naamloze verteller in Jan Wolkers’ Turks Fruit die uit liefdesverdriet ‘de ene meid na de andere naait’: ‘Ik sleepte ze naar mijn hol en rukte ze de kleren van het lijf en ramde me een ongeluk.’ Onderkoelder kan ook, zoals Renate Rubinstein over Simon Carmiggelt in Mijn beter ik: ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer zo verliefd op hem ben. S. vermoedde zoiets al.’

Beeld Claudie de Cleen

Schrijvende exen over elkáár, helemaal genieten. Nicole Krauss en Jonathan Safran Foer. Atte Jongstra en Ingrid Hoogervorst. Claire Bloom en Philip Roth, Lisa Halliday en Philip Roth. Maartje Wortel en Niña Weijers. En Arnon Grunberg en Roos van Ees natuurlijk, die het einde van hun relatie verwerkten in een mooie serie voor de Vlaamse krant De Standaard. Grunberg schreef, Van Ees fotografeerde en nam in de laatste aflevering ook de schrijverij voor haar rekening. ‘De pijn van Roos is overweldigend’, schrijft Grunberg. En: ‘Bij Roos blijven was sterven, ik koos voor mijn leven, al besefte ik dat ik daarmee Roos zou doden.’

Grote woorden voor zo’n kleine jongen, maar zo voelt liefde als ze begint of eindigt: natuurgeweld. ‘De pijn van een verloren liefde is een even complete en zichzelf wegvagende emotie als de extase van het begin’, schrijft Lisa

Appignanesi in Alles over de liefde. Anatomie van een onbeheersbare emotie (2011). Een verklaring voor de heftigheid van die pijn vindt Appignanesi bij de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, die stelde dat de basis voor het gevoel van leegte dat liefdesverlies in ons veroorzaakt, wordt gelegd op het moment dat een baby gescheiden wordt van zijn moeder. Aanvankelijk vormen moeder en kind een symbiotische eenheid, een ‘volkomenheid’, maar op zeker moment moet het kind zich van haar losmaken om een eigen unit te worden, een ik.

Het leven als individu begint met verlies. Liefde brengt het ‘oude’ gevoel van eenheid terug. Je wist niet wat je miste, in feite wist je niet eens dát je iets miste, maar nu ontmoet je die ene en voel je je compleet: eindelijk je wederhelft hervonden. Logisch dat het verlies van die wederhelft er stevig inhakt. Appignanesi: ‘We hebben een dunne huid, we zijn kwetsbaar als zuigelingen, en als we de band met een ander verbreken, zijgen we ineen.’ Soms blijft het niet bij ineenzijgen maar volgt waanzin, depressie of zelfs de dood.

De pijn van het ex-zijn heeft niet alleen psychologische oorzaken, ook de biologie draagt een steentje bij. Ons ‘ik’ is geen schoon blaadje maar een rommelig hok vol herinneringen. Aan de hand van jarenlange experimenten met

Beeld Claudie de Cleen

Californische slakken toonde neurowetenschapper en ­Nobelprijswinnaar Eric Kandel in de tweede helft van de vorige eeuw aan dat het geheugen een kwestie van neuro­plastische verandering is. Een hersencel met een uitloper tot aan een andere hersencel kan met die andere hersencel een verbinding aangaan, en zo een herinnering vastleggen.

Met een geliefde bouw je talloze herinneringen en dus hersencelverbindingen op, waarmee hij of zij daadwerkelijk onder je huid kruipt en zich in je hoofd nestelt. In het geval van een verlieservaring, door dood of relatiebreuk, kan het voor een organisme energetisch voordelig zijn die verbindingen weer los te knippen – waarom energie steken in iemand die er niet meer is?

De pijn die bij rouw hoort is dan evolutionair nuttig; pijn houdt een organisme weg bij dingen die slecht voor hem zijn en helpt het zo bij het opruimen van ‘overbodig’ geworden herinneringen. ‘In een helse, slapeloze nacht schreeuw je: jouw bestaan is mij te veel. Ga maar ergens anders bestaan’, schrijft Roos van Ees in haar brief aan Arnon Grunberg. Het losknippend brein is wreed.

De mens is een dier, een kuddedier, en kuddedieren zijn buiten de kudde verloren; ze worden verslonden door een roofdier of komen ellendig om van honger en dorst. Uitgestoten worden is een van de ergste dingen die een kuddedier kunnen overkomen. Het gevoel van ontheemding dat bij de beëindiging van een liefdes-, werk- of vriendschapsrelatie hoort, heeft daarmee te maken; het vertrouwde en veilige ‘wij’ is weg. De angst voor uitsluiting, er niet (langer) bijhoren, is misschien wel de diepste angst die mensen kennen.

Beeld Claudie de Cleen

Als het beëindigen van relaties zo traumatisch is, waarom doen mensen het dan? Een van de bekendste ­citaten uit de presocratische filosofie, toegeschreven aan Heraclitus, is panta rhei, alles stroomt. Alles verandert, onophoudelijk. Wat je nu doet is over twee seconden al weer geschiedenis. In het lichaam waarmee je nu op je stoel wiebelt, zijn zo dadelijk alweer duizenden cellen vervangen (het kunnen er ook tienduizenden of enkele tientallen zijn). Dat laatste wist Heraclitus overigens niet, maar dat een mens niet twee keer in dezelfde rivier kan stappen wist hij wel; het water in die rivier is voortdurend in beweging en dus is de rivier steeds anders.

Deels is dat fijn, want de mens is dol op nieuwigheid. Zonder die nieuwsgierigheid hing hij nog altijd in een boom, met een hongerig wild beest eronder. We worden geboren met een sterke wil de wereld te ontdekken en te onderzoeken en dankzij die wil komen we steeds verder. Het nieuwe is razend aantrekkelijk, ook al blijkt nieuw niet altijd beter. 

Maar kiezen voor het nieuwe betekent afrekenen met het oude. En dat schuurt. We mogen dan gedreven worden door vernieuwingsdrift, we zijn óók behept met een sterke hang naar continuïteit. We blijven onze stukjes bij voorkeur op de oude vertrouwde laptop tikken (geeft niks dat de letter e totaal versleten is). We worden woedend als gebouwen tegen de vlakte gaan, als we ruw uit een fijne baan worden gekickt omdat een jonger exemplaar de boel overneemt, als onze dierbaren en wijzelf ziek worden, aftakelen, doodgaan. We willen wel vernieuwing maar we willen tegelijk dat dingen blijven zoals ze zijn – wat die dingen dus niet doen. Voor die paradox zoekt de radeloze mens al eeuwen oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van boeddhisme, een stoïcijnse levensinstelling of een imposant rijtje godsdiensten.

Beeld Claudie de Cleen

Het ex-dom confronteert ons met de vergankelijkheid van alles, het slaat de illusie van continuïteit en veiligheid aan flarden. Dat is waarom aan het woord ‘ex’ zo’n ­bittere bijklank kleeft: ex staat voor voorbij, voor falen, voor mislukking. Voor een verhaal met een slecht einde. 

Wie zo naar zijn leven kijkt, wie de gebeurtenissen in zijn leven het stempel ‘mislukt’ meegeeft om geen andere reden dan dat ze zijn afgelopen, maakt een denkfout. Het leven is helemaal geen logisch verhaal met een begin, een midden en een passend slot; het is een zootje ongeregeld, met prachtige en ellendige momenten. Het eindigt niet gelukkig als je maar op tijd stopt en ook niet treurig als je maar lang genoeg doorgaat. Alles gaat over: uiteindelijk is het ex-dom is de enige zekerheid die het leven te bieden heeft. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden