Opinie

Volledige lezing Halsema: 'Hulporganisaties richten zich op zichtbare hulp om donateur te behagen'

Hulporganisaties zijn het eigenbelang belangrijker gaan vinden dan de opdracht waarvoor ze staan: hulp bieden aan mensen die verdrukt en gewond zijn. Dat betoogt Femke Halsema, voorzitter van Stichting Vluchteling, in haar toespraak vandaag in Den Haag in het kader van Wereldvluchtelingendag.

Femke Halsema en Tineke Ceelen in een klein tentenkamp in Libanon. Beeld Herman Volker, Stichting Vluchteling.

Dames en Heren,

'Waarom ga je hier niet weg?' was onze vraag aan de hulpverlener.
De plaats van handeling was kamp Al-Zaatari In Jordanië, zo'n 15 kilometer van de Syrische grens. Het was de eerste stop op een rondreis die Tineke Ceelen en ik anderhalve week geleden ondernamen langs de vluchtelingenkampen in Syrië en haar buurlanden. Behalve naar Jordanië, reisden we naar Libanon, Irak, Turkije en uiteindelijk Syrië zelf.

Kamp Al-Zaatari is een kamp als zovele. Een golvend landschap van witte, soms half vergane UNHCR-tenten, strak in het gelid en dicht op elkaar. Stoffige, onverharde paden ertussen, overal rondhangende mensen, verwaarloosde en verveelde kinderen. In het kamp is het niet veel slechter en niet veel beter dan in al die andere kampen die duizenden vluchtelingen herbergen. Vanaf het moment dat dit kamp openging in juli 2012, is het aantal vluchtelingen razendsnel gegroeid tot minstens het dubbele van de 60.000 mensen waarvoor Zaatari nog geen jaar geleden gebouwd is.

In Zaatari-kamp werken zo'n 25 hulporganisaties. Dat aantal zorgt voor grote problemen in de coördinatie van de hulpverlening. Sommige zaken zijn er teveel. Er wordt bijvoorbeeld dubbel geregistreerd door verschillende humanitaire organisaties waardoor er overlap is in de distributie van noodzakelijke levensmiddelen. Andere zaken zijn er te weinig, zoals bijvoorbeeld - en niet bepaald onbelangrijk - water en veiligheid.

De hulpverlener die wij vroegen waarom hij niet wegging, was niet zo tevreden met de bijdrage van zijn organisatie aan het leven in het kamp. 'Waarom liet hij het werk dan niet aan anderen over?', hielden wij aan. Zijn antwoord was even duidelijk, als ontluisterend: 'we all want a piece of the pie'.

In dit antwoord ligt de kwetsbaarheid van, en de kritiek op de noodhulp besloten, vooral nu in Syrië. De nauwelijks te bevatten ellende die de gewone burgers van Syrië treft, onderwerpt internationale humanitaire organisaties aan een test.

En zoals altijd in humanitaire crises zijn er de verhalen van bovenmenselijke moed en opoffering van hulpverleners die diep het verwoeste land inreizen, gewonden verzorgen, ontheemden beschermen en voor vluchtelingen veilige plekken maken. Zo spraken we met een Syrische arts uit Aleppo, Dr. Hassan. Zijn kliniek kwam in de frontlinie terecht en werd volledig verwoest. Dr. Hassan zag strijders sterven, maar ook kinderen bezwijken door een gebrek aan medicijnen. Uiteindelijk vluchtte hij met zijn gezin naar Turkije. Vanuit de grensregio reist Dr. Hassan regelmatig heen en weer naar Aleppo, om zijn collega's te voorzien van dekens, medicijnen en diesel om de generatoren in de klinieken aan de praat te houden. 'Er is zelfs geen jodium in Aleppo', zegt Hassan, 'als wij het niet zouden brengen'.

Er zijn vele voorbeelden van uitstekend functionerende organisaties. Artsen zonder Grenzen beheert een aantal klinieken in Syrië. De partnerorganisatie van Stichting Vluchteling, The International Rescue Committee, verleent medische hulp aan 500.000 mensen in Noord-Syrië vanuit 14 veldhospitalen en 180 mobiele klinieken. Ook verzorgt IRC water en sanitaire voorzieningen voor 40.000 Syriërs in de grenskampen. En het Internationale Rode Kruis voorzag onder andere ruim 600.000 mensen van voedsel in de eerste drie maanden van van dit jaar.

Deze opsomming van aanwezige en goed functionerende hulporganisaties is verre van volledig maar brengt wel enige en noodzakelijke relativering aan bij de verontwaardiging van een aantal oorlogsjournalisten dat er in Syrië geen hulpverlener te bekennen is.

Tegelijkertijd heeft de verontwaardiging grond. Buiten Syrië maar vooral in het land zelf schiet de hulp dramatisch tekort. In een recente oproep aan de Internationale Gemeenschap, vragen de Verenigde Naties voor 6,8 miljoen Syriërs in nood (dat is een derde van de bevolking) een bedrag van bijna 5 miljard dollar: dat bedrag is sinds het begin van het jaar met meer dan 3 miljard naar boven bijgesteld vanwege de razendsnelle toename van het aantal vluchtelingen.

Schatting is dat aan het eind van dit jaar 3,5 miljoen Syriërs naar de buurlanden is gevlucht en de helft van de Syrische bevolking op drift is. Voor het huidige aantal vluchtelingen is de beschikbare hulp al volstrekt onvoldoende en de aanwezige hulpverleners vrezen epidemieën. Aan voorbereidingen op de komende winter komt nog niemand toe.

First things first. Voordat ik onterecht de indruk wek dat de humanitaire organisaties een grote, medeverantwoordelijke speler zijn in Syrië, sta ik eerst stil bij het conflict zelf. Daarna beschrijf ik voor u met welke problemen de humanitaire organisaties te midden van strijdende partijen worstelen, om vervolgens de tekortkomingen in de hulp zelf te bespreken.

Ik probeer een antwoord te vinden op de vraag hoe de nood in Syrië de afgelopen twee jaar tot zulke gruwelijke proporties heeft kunnen uitgroeien? Is daar nog wat aan te doen? En vooral, welke lessen trekken noodhulporganisaties, internationaal en in Nederland, uit de humanitaire crisis in Syrië?

1. Het conflict

Inmiddels duurt de Syrische burgeroorlog twee jaar. Volgens de laatste - maar allicht weer gedateerde - telling zijn er minimaal 93.000 doden te betreuren, 80% van deze doden zijn mannen, de overige 20% onschuldige kinderen en vrouwen. En dan neem ik de gruwelijke wreedheden nog niet in aanmerking die worden begaan, in de eerste plaats door het regime Assad maar ook in toenemende mate door de tegen hem strijdende partijen.

De Ierse journalist en Midden-Oosten-expert Patrick Cockburn gaf in een recente analyse in The London Review Of Books een verhelderend overzicht van de conflicten die tegelijkertijd in Syrië worden uitgevochten en die ook de uitzichtloosheid ervan tekenen.

In de eerste plaats, stelt hij, is de burgeroorlog in Syrië de opstand van een onderdrukt volk tegen een wrede en niets en niemand ontziende dictator. Tegelijkertijd is het ook het binnenlandse sektarische gevecht tussen Soennieten en Alawieten. Dat vindt als derde zijn weerklank in het al decennia durende regionale conflict tussen Soennieten en Sjiieten, dat een nieuw oorlogsfront in Syrië vindt. Daarbij kun je, als vierde, nog eens optellen dat de Syrische burgeroorlog een voortzetting wordt van door Iran geleide-groeperingen tegen de traditionele vijanden van Iran (met name Amerika en Saoedi-Arabië). En last but not least lijkt in de Syrië-crisis de koude oorlog te herleven, waarbij Rusland en China consequent tegenover westerse landen staan.

Cockburn vindt het historisch onjuist om de Syrische crisis te vergelijken met de politieke omwentelingen in Egypte, Tunesië en Libië. Eerder doet het bodemloze conflict denken aan de Libanese en Iraakse burgeroorlogen: conflicten die niet worden bezworen maar enkel tijdelijk getemperd, totdat ze weer oplaaien en nieuwe slachtoffers maken. Conflicten ook, die de geleidelijke desintegratie en fragmentatie van de betrokken landen en de regio tot gevolg hebben.
Dit wordt bevestigd door Midden-Oosten-journalist Robert Fisk in een inktzwart artikel afgelopen zondag in The Independent. Naar zijn zeggen is de beslissing van de Obama-regering om het Vrije Syrische Leger met wapens te steunen ogenblikkelijk beantwoord door de Iraanse machthebbers door Assads leger met 4000 militairen te versterken, terwijl Rusland er geen geheim van maakt het Syrische regime voluit te steunen. De late beslissing van Amerika om de politieke impasse te doorbreken, leidt in Fisks opvatting tot de verdere escalatie van geweld en de geleidelijke religieuze en sektarische fragmentatie van de hele regio.

De politieke vraag is of eerdere internationale en eventuele militaire interventies het nachtmerriescenario dat zich voltrekt in Syrië en haar buurlanden, had kunnen voorkomen. Deze vraag laat zich in dit stadium niet meer beantwoorden, behalve wellicht met de cynische vaststelling dat laissez-faire en internationaal defaitisme niet hebben geholpen. Bij gebrek aan steun, geld en wapens zijn de gematigde en democratische groeperingen in Syrië inmiddels van twee kanten ingesloten: door Assad en door oprukkende jihadisten (al dan niet gesteund door de aan Al Quaida gelieerde terreurbeweging Al-Nusra), die in wreedheid niet voor elkaar onderdoen.

2. De humanitaire reactie

'There's a human cost to the political impasse', schreef de onafhankelijke Syrische onderzoekscommissie van de Verenigde Naties een paar weken geleden over Syrië. Gemeten naar de aantallen doden, gewonden, vluchtelingen en ontheemden, en de dreigende destabilisatie, is deze uitspraak een understatement.
Toch is de hulp aan de slachtoffers van het geweld pas laat en gebrekkig op gang gekomen. De belangrijkste redenen daarvoor liggen buiten de rechtstreekse verantwoordelijkheid van humanitaire organisaties.

Als eerste lijkt er wereldwijd een verkeerde en te zonnige inschatting te zijn gemaakt van de omwenteling die zou plaatsvinden nadat de eerste onlusten tegen het regime van Assad losbraken. Daarbij was de informatie uit het land in de eerste maanden van de burgeroorlog summier, ook omdat Assad er niet voor terugdeinst om journalisten te intimideren en te bedreigen. Toen langzamerhand een vollediger beeld ontstond van de gruwelijkheden in vooral de steden, nam ook snel de weerzin in het westen toe tegen de burgeroorlog. Terwijl er in de eerste maanden nog de overzichtelijkheid heerste van een tiran tegenover een uitgebuit volk, werd daarna zichtbaar dat dit volk diep verdeeld is en dat er onder de strijders Islamitische fanatici schuilgaan die de kunst van marteling en moord goed van het regime hebben afgekeken.

Vanaf het begin van de Syrische burgeroorlog kampen humanitaire organisaties als een gevolg van deze publieke weerzin met een tekort aan geld, ofwel omdat nationale inzamelacties (zoals ook in Nederland) halfhartig plaatsvinden en te weinig opbrengen of omdat de donorlanden niet bereid zijn werkelijk geld vrij te maken op hun krappe crisisbegrotingen. Donorlanden die wel geld vrijmaken hebben daar vaak zulke ellenlange procedures voor ontwikkeld dat aan de Turks-Syrische grens het leeuwendeel van de 34 internationale humanitaire organisaties al maanden wacht op beloofd hulpgeld voor Noord-Syrië.
'We don't need more organisations to come to Turkey', verzuchtte een hulpverlener, 'we need organisations who actually dó something for the Syrians'.

Ook in Libanon waar inmiddels 1 op de 6 bewoners een Syrische vluchteling is, schiet het internationale hulpgeld dramatisch tekort. En hetzelfde geldt voor Jordanië, waar de nationale regering zelf enorme bedragen heeft gespendeerd aan de opvang van een half miljoen vluchtelingen. De kosten voor levensonderhoud - zoals de huren - stijgen, terwijl de lonen dalen door het aanbod van goedkope Syrische arbeidskrachten: ontwrichting van het land ligt op de loer.

Behalve door een te langzaam groeiend besef van de ernst van de crisis, de weerzin in het Westen tegen een jihadistische strijd en het tekort aan geld dat mede hiervan het gevolg is, is de hulp aan de slachtoffers vanaf het begin gehinderd geweest door internationale politieke tegenstellingen.

Verreweg het grootste politieke obstakel is dat VN-organisaties zoals UNHCR en Unicef en een grote hulporganisatie als het Rode Kruis zich houden aan het soevereiniteitsbeginsel van staten dat is vastgelegd in het internationale recht. Deze organisaties achten zich slechts bevoegd om de grens over te trekken om hulp te bieden als de overheid toestemming geeft. Dat leidt tot de waanzinnige situatie dat bijvoorbeeld de UNHCR niet alleen eerst toestemming vraagt aan de regering van Assad maar ook alleen via Damascus het land in reist. Assad geeft daarbij vaker niet dan wel toestemming.

Sommige organisaties, zoals Artsen Zonder Grenzen en de International Rescue Committee, trekken wel illegaal de grens over maar hebben alleen toegang via een klein aantal grensovergangen en de hulp die zij kunnen bieden is beperkt. Tegelijkertijd is dit grote obstakel relatief gemakkelijk weg te ruimen, als de VeiligheidsRaad bereid zou zijn om een bindende resolutie aan te nemen waarmee zogenaamde crossborderhulp wordt geaccepteerd. Probleem is dat China en Rusland dit tot dusver blokkeren.

Mij lijkt dat NL en de Europese Unie nu al hun macht en overredingskracht opnieuw moeten richten op een resolutie die crossborderhulp mogelijk maakt. . Het is een grove schande dat de inmiddels miljoenen burgerslachtoffers een politieke speelbal zijn.

3. Falen van de hulp

Kritiek op humanitaire organisaties is gemakkelijk gegeven. Zeker als de noden groot zijn dan liggen de voorbeelden van honger, leed en onveiligheid voor het oprapen en wijst de beschuldigende vinger snel naar de noodhulp. Hulpverleners reageren hierop begrijpelijk dikwijls verdedigend en wijzen op hun beurt naar de ingewikkelde politieke omgeving waarin zij hun werk moeten doen, de onveilige omstandigheden en de afwezigheid van publieke betrokkenheid en geld. Dat is allemaal waar. Juist in het Syrische conflict staat de onafhankelijkheid van hulpverleners permanent onder druk: organisaties die met instemming van het Assad-Regime hulp verlenen worden van overheidssympathieën beschuldigd, organisaties die via Turkije, Irak of Jordanie helpen worden beticht van steun aan de Syrische oppositie. Ondertussen zijn hulpverleners extreem kwetsbaar voor ontvoering en terreuracties van striojdende groepen en criminele bendes: 20 Vrijwilligers van de Syrische Rode Halve Maan hebben het leven verloren en verschillende hulpverleners zijn ontvoerd.

Hoe moeilijk ook de politieke omstandigheden en hoe groot ook de persoonlijke risico's, toch mag er ook kritisch worden gekeken naar het functioneren van humanitaire organisaties.

In al zijn botte eerlijkheid was de reactie van de hulpverlener waarmee ik begon misschien uitzonderlijk, de onderlinge competitie en concurrentie waarvan hij getuigt met zijn uitspraak 'we all want a piece of the pie', is dat niet.

Noodhulp wordt vooral gegeven door private of semi-private organisaties, en VN instellingen op een moeilijke markt met schaarse middelen. Zeker in oorlogssituaties zoals in Syrië, als de bereidheid van staten en publiek om geld te geven klein is, zijn organisaties geneigd met elkaar te concurreren om zich een zo groot mogelijke taartpunt te kunnen toe-eigenen en hun hulpoperaties op te zetten. Nu is er weinig mis met concurrentie als dit leidt tot verbetering van de kwaliteit van de geboden hulp.

Alleen functioneert de markt van noodhulp weinig optimaal. Kritische klanten, lastige consumenten, die dreigen over te stappen naar de concurrent als de hulp niet deugt zul je in de vluchtelingenkampen in Jordanië of in mobiele medische klinieken in Noord-Syrië niet vinden. De slachtoffers danken god dat iemand te hulp schiet en missen de macht en de fut om zich teweer te stellen.

De lastige klanten die er wel zijn, de grote en kleine particuliere donateurs en de donorlanden, zitten op grote afstand en kunnen zelf niet nagaan of de hulp terechtkomt waar zij hopen, en of deze werkelijk effectief is. Door publicaties als De Crisiskaravaan van Linda Polman en kritische evaluaties van grote noodhulpacties zoals bijvoorbeeld na de tsunami en de aardbeving op Haïti, is de achterdocht over hulp bij donateurs en publiek toegenomen. Dat maakt de noodzaak voor noodhulporganisaties om zich te verantwoorden groot.

Tot dus ver leidt dit vooral tot het optuigen van grote bureaucratische verantwoordingsprocedures die tijdrovend en kostbaar zijn. Met die grotere verantwoordingsplicht neemt de bereidheid af om financiële risico's te lopen. Dat is discutabel want hulp in een gewelddadig conflict als in Syrië kan onmogelijk voor de volle 100% worden verantwoord en tegelijkertijd is samenwerking nodig met Syrische organisaties die niet bekend zijn met onze bureaucratie broodnodig.

Achterdocht leidt er ook toe dat humanitaire organisaties zich toeleggen op zichtbare hulp in de even zo zichtbare vluchtelingenkampen: gemakkelijk uit te leggen en te fotograferen distributie van goederen, medische hulp of onderwijs voor jonge kinderen. Ook hiermee is op zichzelf weinig mis: tenten, dekens, medicijnen en onderwijs zijn in grote vluchtelingenkampen broodnodig. Erg is het wel als andere, minstens even noodzakelijke maar voor donateurs minder verleidelijke hulp niet meer of onvoldoende wordt gegeven. De stadvluchtelingen die opvang vinden bij bekenden of familie, of met vele gezinnen in half afgebouwde huizen of garageboxen wonen, maken 70% uit van alle Syrische vluchtelingen: maar enkele organisaties houden zich met hen bezig.

In vluchtelingenkamp Al-Zaatari in Jordanië, waarmee ik deze lezing begon en waar alle humanitaire organisaties wel zijn neergestreken, zag ik de gebreken van de noodhulp uitgestald. Concurrentie om de internationale geldstromen zeker te stellen, de keuze voor zichtbare hulp om donateurs thuis zoveel mogelijk te behagen, en bureaucratisering om al het werk en de goede bedoelingen dagelijks vast te leggen en uit te kunnen dragen (om de kritiek als het ware voor te blijven). Ofwel, organisaties die in onderlinge competitie het eigenbelang - onbedoeld en waarschijnlijk vaak ook ongemerkt - belangrijker gaan vinden dan de opdracht waarvoor ze staan: hulp bieden aan mensen die verdrukt, opgejaagd en gewond zijn.

4. Geen jammerklacht verbetert het getij

Tijdens de reizen die ik de afgelopen twee jaar samen met Tineke Ceelen heb gemaakt langs de vluchtelingenkampen van Ivoorkust, Oost-Congo, de Hoorn van Afrika en nu recent naar Syrië, kwamen de tekortkomingen in de noodhulp dikwijls ter sprake. Niet vanuit een gevoel van superioriteit, want ook de keuzes die Stichting Vluchteling maakt zijn voor discussie vatbaar. Zoals elke noodhulporganisatie moeten wij met onze schaarse middelen leed selecteren waaraan we iets kunnen doen. Vaak zijn de afwegingen die we maken zuiver gericht op de ernst van de situatie en de slachtoffers; soms zijn ze dat minder en dan speelt fondsenwerving of bijvoorbeeld media-aandacht een rol.

Het zijn uiteindelijk ook geen afwegingen om je voor te schamen omdat humanitaire organisaties financieel dienen te overleven als zij ook op termijn te hulp willen kunnen schieten. Maar het is wel tijd om het avondlijke gesprek in kleine kring meer publiek te maken. In het licht van de ernst, de omvang en de waarschijnlijke duur van de Syrië-crisis - de grootste humanitaire crisis in de geschiedenis van UNHCR volgens de Hoge Commissaris Antonio Guterres - is er geen ruimte voor onderlinge concurrentie en oneigenlijke afwegingen. Er zal hard en zo effectief mogelijk moeten worden samengewerkt. Om dat mogelijk te maken moet er ook in alle openheid worden gediscussieerd over de tekortkomingen

De naamdrager van deze lezing, Van Heuven Goedhart, zei ooit: 'geen jammerklacht verbetert het getij'. De medewerkers van humanitaire organisaties, de vele hulpverleners die ook terwijl ik hier spreek in zware omstandigheden andermans lot verbeteren, weten dat als geen ander. De daadkracht die zij dagelijks tonen mag echter ook worden gericht op het verbeteren van het functioneren van de eigen organisaties, internationaal en in Nederland.

In Nederland zijn de humanitaire organisaties verenigd in de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO). De laatste jaren is de SHO voorwerp van kritiek en dat is niet geheel onterecht. Bij een grote crisis wordt het geld weliswaar gezamenlijk ingezameld, maar nadat het naar rato van de grootte van de aangesloten organisaties is verdeeld, gaat ieder zijns weegs. Overleg over de wijze waarop het ingezamelde geld het beste kan worden aangewend vindt nauwelijks plaats, noch wordt dit overleg op prijs gesteld. Als - zoals het geval was bij de laatste inzamelingsactie voor Syrië - het geld beperkt is dan wreekt een gebrek aan samenwerking en onderling overleg zich eens te meer.
Ik zou er een voorstander van zijn als SHO een onafhankelijk instituut wordt, een internationaal rampenfonds, dat - in samenwerking met de omroepen - fondsen werft en bij de verdeling van geld toetst welke organisaties de effectiviteit, capaciteit en ervaring bezitten die nodig is in een specifieke humanitaire crisis. Dit is de enige manier om de behartiging van het eigen belang door humanitaire organisaties tijdens nationale acties tegen te gaan en een open, kritische discussie met elkaar te voeren over de effectiviteit van de hulp.

Tot slot. Grote en kleine donateurs en het betrokken publiek, mogen verwachten dat noodhulporganisaties hun stinkende best doen voor het geld dat zij geven. Tegelijkertijd mag er ook vertrouwen worden uitgesproken. Hulpverleners in de vluchtelingenkampen in Syrië, in Congo, in Zuid-Somalië helpen slachtoffers van oorlogen en natuurrampen, dikwijls met grote persoonlijke opoffering, vanuit overtuiging en menslievendheid. Fouten en tekortkomingen zijn niet het gevolg van onverschilligheid of cynisme, maar juist van grote inzet en betrokkenheid bij humanitaire crises en soms - en iets te veel - bij de organisaties die deze willen verminderen.

Het is aan noodhulporganisaties om het publiek te overtuigen van het belang en de juistheid van hun werk maar aan het publiek mag wel gevraagd worden om te aanvaarden dat hulp in een crisis nooit helemaal foutloos zal of kan zijn, simpelweg omdat de omstandigheden vaak te lastig en ingewikkeld zijn en het leed dat men aantreft te verscheurend.

In 1954 ontving de UNHCR de Nobelprijs voor de Vrede. De eerste Hoge Commissaris, de heer Van Heuven Goedhart, mocht in Zweden de prijs in ontvangst nemen. Tijdens zijn aanvaardingsspeech zei hij onder andere dit: 'There can be no real peace in this world as long as hundreds of thousands of men, women and children, through no fault of their own, but only because they sacrificed all they possessed for the sake of what they believed, still remain in camps and live in misery and in the greatest uncertainty of their future. Eventually, if we wait too long, the uprooted are bound to become easy prey for political adventurers, from whom the world has suffered too much already.'

In Syrië lijden gewone burgers onder politieke avonturiers die niet terugdeinzen voor een moord meer of minder. Zoals wij hier verzameld zijn vandaag, zoals zoveel mensen in Nederland, in Europa en ook in het Midden-Oosten die begaan zijn met democratie en recht, kunnen wij niet wachten om hen hulp te bieden: met geld, met menskracht en - vooral - door ons werk naar allerbeste kunnen te doen.

Dank u wel.

Dit is de tekst van de Van Heuven Goedhartlezing die Femke Halsema donderdag in de Ridderzaal in Den Haag geeft.

 
Alleen functioneert de markt van noodhulp weinig optimaal. Kritische klanten, lastige consumenten, die dreigen over te stappen naar de concurrent als de hulp niet deugt zul je in de vluchtelingenkampen in Jordanië of in mobiele medische klinieken in Noord-Syrië niet vinden.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.