Vladimir, je verspilt geld van je arme volk aan ambitie die niet meer is dan een parasiet in darmen van wereld

Een uur in de datsja van Vladimir

De president schonk wodka in voor mij in zijn datsja. Ik nam er een slok van en zei: ‘Geen enkele slag wordt ooit echt gewonnen, beste president.’ De kleine man ging bij het raam staan en tuurde naar buiten en zei dat hij de strijd, die hij tegen de gebeurtenissen uit het verleden voerde, tot het bittere einde ging uitvechten.

De kinderen van het land waren sjofel. De vele jongedames, die als trekvogels naar het zuiden vlogen om in den vreemde hun witte lijven aan de man te brengen, stonden bekend om hun jukbeenderen, niet minder hoog dan de hakken onder hun schoenen. De zonen van de president waren luidruchtig als het over voetbal ging, maar altijd stil over wat de president besloot.

De beste zonen en dochters waren op de vlucht geslagen omdat zwijgen voor sommigen zwaarder weegt dan de dood. Buiten de grenzen van dit enorme land verschenen krantenstukken over de moordaanslagen op de dwarse zonen en dochters. In de datsja hoorden we de wind buiten een kil lied zingen en begon ik daar maar niet over.

Gelukkig was ik geen Nederlandse minister die niet mag fantaseren over zijn tijd in de datsja en ging ik even later bij hem bij de haard staan. ‘Je moet niet zoveel roken’, zei de president en klonk zowaar liefdevol. Ik ging het haardvuur nog wat opstoken, gooide mijn sigaret naar de vlammen en zei de dingen die tot die tijd niet kon worden uitgesproken: ‘Het volk is monddood. Ze zijn bang voor je. Ik weet dat je een succesvol land wilt. Dan moet je de mensen juist vrijlaten.’

Waren we vrienden geworden, kon ik hem Vladimir noemen? Hij trok een ernstige smoel. Het vuur van de haard zag ik in zijn kleine ogen. Na een diepe zucht rolden openhartige woorden van zijn tong: ‘Wij waren ooit de kampioenen van de wereld. Onze vijanden hebben ons naar de lagere divisie gedegradeerd. Wij hebben de middelen misschien niet meer, maar ik ga ze allemaal schaakmat zetten. Ooit zullen we weer de troon bestijgen die ons toebehoort. Dat is een heilig doel, ons volk moet daarom nog even doorbijten en niet zeuren over mensenrechten, democratie en het vrije woord.’

Hij was een kop kleiner dan ik, maar toch wist hij door hoe hij keek mij de stuipen op het lijf te jagen. De furie in hem moest snel beteugeld worden met wat nuancering. ‘Beste Vladimir’, zei ik snel, ‘ken je het verhaal van de familie Compson, van de hand van schrijver William Faulkner? Het drama van de Compsons is ook dat van jou. Je wil terug naar het verleden om de gebeurtenissen van toen te herschrijven. Je wil de geschiedenis overmeesteren. Denk je dat je zodanig vat kunt krijgen op de mooie herinneringen van lang geleden dat het heden getransformeerd kan worden naar iets dat in jouw ogen ideaal is? Jouw geluid is als de kreet van een moeder die met haar geschreeuw haar dode baby tot leven probeert te wekken. Jouw drift is zo scherp als de scherven van een kapot raam. Pijnig je kinderen niet meer. Gun ze het leven.’

Hij reageerde op mijn woorden door als een geit te lachen die de stad uitgaat. Hij wierp een blik op de paar mannen die ook in de datsja waren, om hen te laten weten dat het koor van het uitlachen kon aanvangen. Ze dompelden mij in een bui van de schaterlach. Ze lagen dubbel van het gieren, met hun grote handen sloegen ze op hun dikke knieën, eentje ging op de grond liggen en morste zijn wodka op het dure tapijt van de president. ‘Mensenrechten… het vrije woord… democratie…’, bulderden ze. Ze wilden met hun hoonlach alle hoop een kopje kleiner maken.

Ten einde raad wist ik uit te brengen: ‘Vladimir, je verspilt het geld van je arme volk aan een ambitie die niet meer is dan een parasiet in de darmen van de wereld.’

Ik rende naar buiten en hoorde de woorden van William Faulkner in mijn hoofd weerklinken: ‘Het slagveld is de plek waar de mens slechts zijn eigen dwaasheid en wanhoop toont.’ Ik had de grootste dwaas net in diens grijze ogen gekeken en rende nog harder. Langs mensen die van hun geluk waren beroofd door een illusie die ze met zijn allen koesterden. Ik dacht ook aan de minister en mompelde: ‘Wees blij dat je niet in de datsja bent geweest, Halbe.’