Column Thomas van Luyn

Vijftigduizend wriemelende naakte lijven, ofwel een zwemparadijs aldus Thomas van Luyn

Beeld Valentina Vos

De familie Tokkie maakte ooit deel uit van een reality-show die zo succesvol was, dat hun achternaam synoniem werd voor een bepaald stratum van de samenleving. Ik ben blij dat het mijn familie niet overkwam. ‘Die mensen moet je uit de buurt blijven, het zijn ontzettende Van Luyns.’ Dat gezegd hebbende: in de rij voor de achtbaan stonden we achter een roedel ontzettende tokkies, ik kan niet anders zeggen. Ladderzat, herrie en alles. Ongeloofwaardige typetjes, bijna. Een vader met een sjekkie in zijn mond, een bonkige kaalgeschoren gorilla, een leipe junk, een hooggehakt barbiepopje in een minirok en een dikke boze snol die de hele tijd aan het schreeuwen was en op dingen mepte en daarbij ‘Ik zet herres, ik zet herres’ riep. Erachter liet de rij een gat vallen van zeker een meter, uit allerlei sociale en biologische instincten. Het rookverbod dat in het pretpark gold, werd niet gehandhaafd door de vakantiebaantjes die letterlijk de andere kant op keken wanneer deze circusfamilie recht voor hun neus sigaretten opstak.

Bij het zwemparadijs stond ik weer achter ze. Het viel me op hoeveel lol ze hadden, en dat ze geen vlieg kwaad deden. Ze hadden gewoon een drankje en een pilletje op. Doe ze een colbertje aan, en het hadden kutstudenten kunnen zijn.

Ik moest er alleen in, omdat ik zo dom was geweest geen tijd af te spreken waarop mijn zoon eruit moest komen. In mij weer een halfuur aan de tokkies vergapen had ik geen zin, dus ik beende langs de rij als een vader met een missie. Het vakantiebaantje bij de draaihekjes vroeg naar mijn kaartje, ik zei dat ik alleen mijn zoon haalde en zo terug was. ‘Ja, maar wij weten niet of u niet toch gaat zwemmen’, zei de achterlijke puistenpuber die zijn ene nanogrammetje autoriteit ten volle liet gelden. ‘U moet een kaartje kopen.’ Na een paar woorden over en weer registreerde hij de stoom die uit mijn oren kwam en bood grootmoedig aan mijn zoon om te laten roepen. ‘Alsof een kind in een wildwaterkurkentrekker dat hoort!’, brieste ik. Daar had ik een punt, en hij wist het. Nou vooruit. Ik mocht bij héél hoge uitzondering – want ze deden het anders nóóit – naar binnen. Wel met van die plastic zakjes om mijn schoenen, opdat ik mijn plaats kenne.

Toen ik het ‘zwemparadijs’ betrad (een contradictio in terminis, als je het mij vraagt) duurde het even voor ik verwerkte wat mijn ogen zagen. Armageddon. Vijftigduizend wriemelende naakte lijven, in wat nog het meest leek op een ondergelopen koepelgevangenis. Het gegil was oorverdovend, de hitte overweldigend. Dit was hoe ik mij altijd de binnenste cirkel van de hel had voorgesteld. Om hierin één onschuldig jongetje te vinden, zelfs al droeg hij zijn gele zwembroek, dat zou zelfs de aartsengel Gabriël niet lukken. Verdwaasd liep ik, de enige geklede mens in deze hele witte-vleesberg, langs het klotsende chloor. Roepen had geen zin, niet in het

galmende gekrijs van de opgesloten zielen. En toen, plots, werd mijn hand gepakt door een jongetje in een gele zwembroek, en voorwaar, hij sprak het Woord. En het woord was ‘Pappa!’.

Ik kleedde hem aan in het hokje naast de grote gezinskleedkamer. De tokkies hadden die bezet. De muurtjes bezweken haast: bonk! bonk! bonk! ‘Ik zet Herres! Ik zet Herres!’  

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden