Essay

Verzetshelden ontstaan alleen in hechte samenlevingen, niet in de ‘lichte gemeenschappen’ die wij nu kennen

Het valt nog maar te bezien of Nederlanders zich nu minder volgzaam zouden opstellen als de bezettingsgeschiedenis zich zou herhalen, denkt Sander van Walsum.

null Beeld XF&M
Beeld XF&M

De onstilbare belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog ligt voor velen besloten in één niet te beantwoorden vraag: wat zou ík hebben gedaan? Zou ik de keuzen hebben gemaakt waarvan we nu weten dat ze juist waren? Zou ik een zolderkamer voor Joden beschikbaar hebben gesteld? Zou ik heldenmoed hebben verzameld? Of zou ik toch tot de grijze massa hebben behoord die slechts heeft geprobeerd ‘er het beste van te maken’? Zou ik misschien zelfs pertinent fout zijn geweest?

Met deze (gewetens-) vragen maken we de oorlog, die al zo ver achter ons ligt en waarvan de kerncijfers zo huiveringwekkend zijn, nog enigszins persoonlijk en bevattelijk. En ze dragen zeker bij aan begrip voor gewone mensen in zware tijden, en aan bewondering voor mensen die tijdens de oorlog over kwaliteiten bleken te beschikken die in vredestijd onzichtbaar waren gebleven. Maar bij de beantwoording van die vragen kunnen we hooguit terugvallen op wensdenken. Want naar de typologie van ‘de verzetsheld’ kunnen we slechts een slag slaan, zoals Rutger Bregman ook vaststelt in zijn recentelijk verschenen pamflet Wat maakt een verzetsheld?

De verzetsheld was vaak niet de makkelijkste in de omgang, hechtte meer waarde aan eerlijkheid dan aan gehoorzaamheid, was behept met een sterk gevoel van eigenwaarde en was meestal opgevoed door liefhebbende ouders. Waar ‘de mensen aan de zijlijn’, zoals Bregman hen noemt, zichzelf vaak klein maakten met de gedachte dat zij toch niets konden veranderen aan de ellendige omstandigheden, waren verzetsmensen er juist van overtuigd dat zij het verschil konden maken. Dit zijn echter niet de exclusieve kenmerken van verzetshelden. En omgekeerd zal bovenstaande typologie niet op iedere verzetsheld van toepassing zijn geweest.

Voor de vraag of iemand het in zich heeft om onder uitzonderlijke omstandigheden een held te worden, zijn de kenmerken van zijn omgeving zeker zo belangrijk als zijn persoonskenmerken. De altruïstische eenling kan er nog zó van overtuigd zijn dat hij het verschil kan maken, hij moet ook medestanders hebben. Er moet een verband zijn waarbinnen zijn opvattingen weerklinken. Of een structuur waarvan hij gebruik kan maken. Veel, zo niet de meeste, verzetsactiviteiten zijn variabelen van het welbekende spreekwoord van de Nigeriaanse inheemse Igbo: ‘Er is een dorp voor nodig om een kind groot te brengen’. Er is een gemeenschap voor nodig om een held voort te brengen.

Minder volgzaam dan onze grootouders

In het pamflet van Bregman is het Drentse dorp Nieuwlande de bedding van het verzetswerk van Johannes Post en Arnold Douwes: op een zeker moment huisvestte één op elke drie inwoners een of meer Joodse onderduikers (een van hen arriveerde er zelfs in een verhuiswagen). Als een hele gemeenschap bij verzetswerk is betrokken, zijn er ook geen verraders in haar midden. Dit vereist uiteraard moreel leiderschap van de enkeling. Maar de enkeling heeft meer kans om zijn morele gezag te laten gelden in een gemeenschap met enige cohesie dan in een gemeenschap waar die cohesie ontbreekt.

null Beeld XF&M
Beeld XF&M

De vraag ‘wat zou ík hebben gedaan?’ zou dus kunnen worden verbreed tot: wat zouden wij, Nederlanders, hebben gedaan als de bezettingsgeschiedenis zich zou herhalen? Zou onze samenleving weerbaarder zijn geweest dan die van onze ouders en grootouders? Zouden wij het er samen beter van hebben afgebracht? Vermoedelijk zou die vraag tot voor kort door de meeste Nederlanders bevestigend zijn beantwoord. Van de oorlog, en dan met name van de Shoah – het kernstuk van die oorlog – zou een eeuwigdurende vermaning uitgaan. ‘Nooit meer Auschwitz’ was eerder een geloofsartikel dan een bezweringsformule. Wij achtten onszelf minder volgzaam dan de vorige generaties, en wij waren zeker beter geïnformeerd – en daardoor beter gewapend tegen misleiding. Nu zouden we daarin wellicht wat minder stellig zijn. Zoals we tijdens het (eerste) coronajaar ten overvloede hebben kunnen vaststellen, vrijwaart de informatietechnologie ons niet van misleiding. Sterker: ze wordt doelbewust voor misleiding en zelfmisleiding ingezet.

Ook valt nog te bezien of we inderdaad minder volgzaam zijn dan onze voorzaten. Dagelijks geven mensen er blijk van graag te worden geleid. Voor actieve gebruikers van de sociale media is het aantal volgers maatgevend voor succes. De helden op de poppodia en het voetbalveld worden massaal vereerd. Die verering is misschien vluchtiger dan vroeger, maar ze geeft evengoed uitdrukking aan de menselijke behoefte aan idolen en heiligen. De huidige idolen – zeg: de Bekende Nederlanders – ontlenen hun gezag meer aan hun kunstjes dan aan een boodschap. Moreel leiderschap ambiëren zij doorgaans niet, en bekendheid brengt voor hen niet met zich mee dat ze ‘het goede voorbeeld’ moeten geven. Hun volgers vormen, in sociologisch jargon, ‘lichte gemeenschappen’ met een vorm van idolatrie als bindmiddel. Ze zijn te vergelijken met de voetbalfans die eendrachtig en vurig hun club aanmoedigen, maar die na de wedstrijd weer overgaan tot de orde van de dag.

Hechte gemeenschappen

Binnen zo’n lichte gemeenschap zouden de mensen die vroeger het verschil maakten wellicht geen rol van betekenis meer kunnen spelen. Dat zou zeker het lot zijn geweest van Georg Sommer (1882-1968), een van Duitslands ‘stille helden’. Als gezaghebbend pastoor in het dorp Hauenstein in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts heeft hij het nationaalsocialisme eindweegs buiten de deur weten te houden. Zelfs bij de onvrije, door Hitler geregisseerde Rijksdagverkiezingen van maart 1933 kwam diens NSDAP er niet verder dan krap 5 procent van de stemmen, een nationaal laagterecord.

Ook nadien zou de pastoor Hauenstein tot op zekere hoogte voor nazificering hebben behoed. Bij zijn preken herinnerde hij de gelovigen er voortdurend aan dat Jezus geen Ariër was. Hij vlagde niet op de toogdagen van het Derde Rijk, en drong er bij zijn plaatsgenoten op aan dit goede voorbeeld te volgen. Hij zorgde ervoor dat God niet door de nazi’s uit de dorpsschool werd verdreven. Hij liet een metalen kruis op een naburige heuvel plaatsen nadat de Hitlerjugend het houten kruis op deze plek had verwijderd. En op gezag van de vroegere bondskanselier Helmut Kohl – een kenner van de streekgeschiedenis – weten we dat pastoor Sommer uitsluitend de bioscoop bezocht om bij aanstootgevende filmscènes zijn hoed voor de projector te houden.

In de beslotenheid van de geloofsgemeenschap konden de Hauensteiners zich meer kritiek op het regime veroorloven dan de meeste van hun landgenoten. Dat bleef overigens niet altijd zonder consequenties. Sommige parochianen gaven ook op ansichtkaarten uiting aan hun gezindheid, en werden daarvoor met een verblijf in een concentratiekamp of uitzending naar het Oostfront bestraft.

Volgens de historicus Theo Schwarzmüller, die de oorlogsgeschiedenis van Hauenstein heeft opgetekend, lieten de nazi’s Sommer ongemoeid uit beduchtheid voor een confrontatie met hogere kerkleiders – die de pastoor steunden – en opstandigheid van de Hauensteiners, die een uitzonderlijk hechte gemeenschap vormden. Hun houding tegenover de nazi’s stond in scherp contrast met die van de bewoners van het meest naburige dorp, Darstein. Die stemden bij de Rijksdagverkiezingen van 1930 al in overgrote meerderheid op de NSDAP. Dit bleef niet onopgemerkt: de hele gemeenschap kreeg het erelidmaatschap van Hitlers partij toebedeeld, en het dorp speelde de hoofdrol in een nazi-propagandafilm.

Schwarzmüller noemt vele factoren die kunnen verklaren waardoor de gezindheid van de Darsteiners zo afweek van die van hun buren: zij waren harder getroffen door de economische crisis, zij hadden nog geen stromend water – een euvel dat door een naziregering zou worden verholpen – en zij zouden als Lutheranen gezagsgetrouwer zijn geweest dan de katholieke Hauensteiners. Maar de belangrijkste factor was toch wel dat zij een leidsman als Georg Sommer moesten ontberen.

De pastoor riep na de Tweede Wereldoorlog overigens meer weerstand op bij zijn parochianen dan tijdens het twaalfjarige regime van Adolf Hitler. Bij verkiezingen voorzag hij hen ongevraagd van een herderlijk stemadvies. In de bioscoop trad hij nog altijd op als filmcensor. En hij bleef zich bemoeien met de kerkgang en de levenswandel van zijn dorpsgenoten. Zo decreteerde hij, toen de zeven vette jaren in de Bondsrepubliek waren aangebroken, dat de buikomvang van jongeren, ‘idealiter 6 tot 12 centimeter kleiner mag zijn dan de borstomvang bij het uitademen’. Georg Sommer was overduidelijk ingehaald door de tijd.

Jodenredders

In het Franse plaatsje Le Chambon-sur-Lignon maakte de pacifistische predikant André Trocmé tijdens de oorlogsjaren het verschil. Hij deed met succes een beroep op de ongeveer drieduizend dorpelingen bij de huisvesting van ruim vijfduizend voortvluchtige Joden, overwegend kinderen. Als geüniformeerde Fransen of Duitsers het dorp naderden, werd Trocmé – vaak door onbekenden – gewaarschuwd, zodat hij de onderduikers in veiligheid kon brengen. In zijn kerk luidden de klokken uit principe niet voor maarschalk Pétain, de leider van het pro-Duitse Vichy-bewind: ze werden uitsluitend voor God geluid. De lokale gemeenschap hield de gelederen gesloten, en alle onderduikers overleefden de oorlog , sommigen in het neutrale Zwitserland.

In Enschede hebben relatief veel Joden – zo’n 500 van de 1.200 – aan de Shoah kunnen ontkomen omdat de Joodse gemeenschap er hechter was georganiseerd dan die van Amsterdam, en omdat de Joden er beter waren geïntegreerd in de lokale bevolking. Anders dan in Amsterdam kregen de Joden in Enschede het dringende advies van de Joodse Raad om onder te duiken. En de hulp kon via een bestaande bedding worden georganiseerd: de gemeente van de gereformeerde predikant Leendert Overduin. Die bracht zelfs Joodse onderduikers, voor kortere tijd, onder bij NSB’ers in de omgeving van Enschede. Als je mensen voor een simpele morele keuze stelt, doen zij meestal het goede, wist Overduin.

Dat was ook de ervaring van Hettie Vôute, die tijdens de oorlog onderdak zocht voor Joodse kinderen wier ouders waren afgevoerd. Eerst deed ze een beroep op mensen die zij kende en vertrouwde. Toen dat reservoir van rechtschapenheid was uitgeput, belde ze – vaak met een of meer kinderen aan haar zijde – aan bij onbekenden. En die deden doorgaans, na enige aarzeling, wat van hen werd gevraagd. Uit het in de jaren tachtig uitgevoerde Altruistic Personality Project, een poging om op basis van honderden interviews een psychologisch profiel van de Jodenredder op te stellen, zou kunnen worden opgemaakt dat 96 procent van de mensen desgevraagd te hulp zou schieten.

Zelfs als zo veel mensen zouden deugen, om het in de woorden van Bregman uit de drukken, is het nog maar de vraag of deugdzaamheid altijd in daden wordt omgezet. Leendert Overduin, Hettie Vôute en vele anderen opereerden in een samenleving met hechte en stabiele (geloofs-) gemeenschappen waarbinnen strenge morele codes golden. Het is geen toeval dat juist de communisten en de gereformeerden, wier leven sterk door hun ideologie of geloof werd beheerst, oververtegenwoordigd waren in het verzet. Zij gaven massaal gehoor aan de aansporing van gezagdragers in hun eigen kring.

Deze vormen van leiderschap zijn echter uit de mode geraakt. Mensen als Georg Sommer en Leendert Overduin zouden vreemdelingen zijn in deze tijd. En de stabiele gemeenschappen van weleer zijn versplinterd in meerdere vluchtige verbanden. Mogelijk zou van hoge nood ook in onze samenleving een mobiliserend effect uitgaan. Mogelijk kunnen mensen die niet voor het heldendom zijn opgeleid onder uitzonderlijke omstandigheden verzet organiseren. Maar we kunnen ook niet uitsluiten dat onze samenleving te veel gefragmenteerd is geraakt om een vuist tegen grof onrecht te maken. Hopelijk hoeft dit nooit proefondervindelijk te worden vastgesteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden